Gij weet te goed, dat ik gebonden ben; Dat ik verloren in mijn zonden ben. Al mag ik uw vergiffenis verwerven, Dit blijft: dat ‘k aan mijn ziel geschonden ben.
Auteur: Helma
Gij smaadt niet die komt vluchten tot uw hart
Gij smaadt niet die komt vluchten tot uw hart. Gij vloekt niet die door zonden wordt benard. Gij weet het, wien zijn liefde wordt genomen, Is als een bloem, door één nacht vorst verstard.
O heerlijkheid der blauwe zomernacht
O heerlijkheid der blauwe zomernacht, Wanneer het warm en zacht uit ’t donker lacht. Er gaat een beven door de heele wereld, Of zij haar zaligen verlosser wacht.
Wat haten wij den nuchtren witten morgen
Wat haten wij den nuchtren witten morgen. We ontwaken met gedachte’ aan duizend zorgen. Waarom niet droomen, tot wij als een schat, In doods fluweel foudraal zijn weggeborgen?
God doet de sterren aan de lucht ontvonken
God doet de sterren aan de lucht ontvonken. Ik ben van zoete liefde dwaas en dronken. Hoe kom ik door dit zoele donker thuis! Mij werd de wijn te schuimend ingeschonken.
God! zijn de nachten dan bestemd tot waken?
God! zijn de nachten dan bestemd tot waken? Wat kunt Ge ons plotseling rampzalig maken. Een woord, een lach, een onbewust gebaar, Wij hooren liefdes broze heemlen kraken.