Gij hebt ter wereld zooveel schoons geschapen. Hoe fel ik leef, ‘k kan al uw vreugd niet rapen. Gun mijn verdoolde zinnen eindlijk rust. Laat mij één nacht lang en gelukkig slapen.
Auteur: Helma
Ik denk slechts aan uw zuiver aangezicht
Ik denk slechts aan uw zuiver aangezicht. Uw leden blank en kuisch als manelicht. De smettelooze koelheid van hun veeren Sluite’ om harts goed de struische zwanen dicht
O lief, de nachtegaal zingt zijn gezang
O lief, de nachtegaal zingt zijn gezang. Hij hield mij uit den slaap veel nachten lang. Glimlachend leg uw handen op harts bonzen. Dees heerlijkheid valt elk alleen te bang
Wereldsch liedje
Wat is het goed, naast je te staan En door je haar te strelen Glimlachend laat je mij begaan Met “’t kinderachtig spelen” Mijn hand vindt op zijn vromen tocht Je ooren en je wangenn, Heeft, u die vleier, vóór
Verlangen
Ik heb zo lang op u gewacht En nergens heil of heul gevonden. Ergens lachte het zoet en zacht . Ach, zonder u is alles zonde. Ergens lachte het zoet en zacht Ik weet wel, dat ik blij zijn konde, Als
De brieven
Brieven van overzee: uit aller heeren Landen loopen de tijdingen in: Jk werk, gezond, met lust en gewin.” Ik jaag nog naar mijn allerzoetst begeeren. ” Zij, die schat wonnen of hun wensch ontberen, Allen schrijven den klagenden zin:
Nolite iudicare
Hij heeft de hoge tol betaald Om rust te vinden: Zijn jonge leven! O dood, wat draait ge uw zware boom Gewillig open Voor die wanhopig zijn. Hij liep het grote donker in, Zó zeker, Of hij de hel verlichte
De gekrenkte jongen
Meen niet, dat hij te schreien stond, Toen hem het giftige antwoord stak. Hij voelde, dat iets in hem brak, Maar hield de glimlach om zijn mond. Even vertroebelde zijn oog, Maar daadlijk keek hij strak en koel. En sterk