Auteur: Helma
Ave Christus! Praemortui to salutant
Dit is ons laatst verlangen In onze laatste nood, Nu harten en gezangen Zijn volgestroomd met dood: O Christus, dood gebloed! Zie, hoe wij moeten Ons bloed boeten Om uw bloed! Nu bréékt het leven open, Een vrucht van rijpheid
Ontmoeting
Zij kwam hem tegen vlak bij huis. Hij tikte vriendlijk op haar schouder, En zei, het klonk als zeegeruisch: Doe wat nog moet, want gij wordt ouder. En zij: mijn huis is lang bereid Ik weet, wien alles zal behooren.
De vliegenier
Hij gonsde langs den hemel Als een bij langs het raam. Zijn vermetel lichaam Viel op Gods schemel. Werd hij nedergestooten, Was hij te aardsch? Zijn oogen staren uit zijn roode Bloed hemelwaarts.
De bron
Hij was een stil water in de zon. In een klein dorp was hij de bron Waarheen de jonkvrouwen togen. Zij kwamen met zachte oogen Bij hem vandaan, Want diepte en donker staarden hen aan, Als zij zich, spiegelend, bogen.
De duif
Angstig maakt hem het fluisterspreker, De troetelwoorden, het geduld, En oogen boordevol gevuld Met weenen, dat niet uit mag breken. En koortsig zegt zijn hooge stem: Ik hoor het kirren van mijn duiven. Vader, laat toch het raam opschuiven! En
Het uit den boom gevallen jongetje
De boom hield hem zijn takken voor Als treden van een trap, en, hooger Zag hij de lucht door ’t loof, en boog er Ruischend naar toe, en viel er door, En bonkte in ’t gras, gekromd, en zag Vlak
Dood kindje
Men heeft het kindje, wit en recht, Uit ’t wiegje in een kleine kist gelegd, En wit en zwart, o simpel onderscheid, Zijn slaap en dood, zijn tijd en eeuwigheid. Hij is maar even hier geweest. Men gaf hem op