De vliegenier

Hij gonsde langs den hemel Als een bij langs het raam. Zijn vermetel lichaam Viel op Gods schemel. Werd hij nedergestooten, Was hij te aardsch? Zijn oogen staren uit zijn roode Bloed hemelwaarts.

De bron

Hij was een stil water in de zon. In een klein dorp was hij de bron Waarheen de jonkvrouwen togen. Zij kwamen met zachte oogen Bij hem vandaan, Want diepte en donker staarden hen aan, Als zij zich, spiegelend, bogen.

De duif

Angstig maakt hem het fluisterspreker, De troetelwoorden, het geduld, En oogen boordevol gevuld Met weenen, dat niet uit mag breken. En koortsig zegt zijn hooge stem: Ik hoor het kirren van mijn duiven. Vader, laat toch het raam opschuiven! En