Auteur: Helma
De leeuwenkooi
Wat spel was, is gevecht geworden Zijn oogen beurtlings rood en groen, Blindlichtten, flitsten en verorden, En werden onaantastbaar groen. Dit weet hij: en zijn puntig witte Gebit bloot in het roode vleesch, Om met één toeslaan te bezitten, Heft
Najaar
Onwezenlijk en los van tijd En wat hen bindt aan ’t aardsch bestaan, Achter den droom der sterflijkheid Gezwenkt, vangt voor den hof het wonder aan. Sinds gisteravond, toen ’t azuur Sluierde in paars en somber goud, En maan haar
Herinnering
Misschien geeft dit u troost: te weten, Dat ge onaantastbaar, onbesmet, In boventijdelijk vergeten, Staat in mijn hart en mijn gebed. God heeft zijn vredige avondstonden, Wijd als zijn goedheid en geduld, Weer tot de wereld uitgezonden, En ieder hart
Zomers einde
Er is een groote regen losgekomen, Zooals soms in ontruste nacht de droomen Van een heel leven, saâmgedrongen Tot één droom, door ons slapen zongen, Zoo is de zomer in dit zware ruischen Geperst, en spat uiteen en is gedaan.
Toekomst
Dat wij dit droomen dorsten, En bewust ernaar streven: Eens onder uwe vorsten Als gelijken te leven. Misschien meer, misschien minder Aan wijsheid en goed, Maar even fel doorzinderd Van uw liefdesgloed. Die Uwe toekomst koos Vol mateloos begeeren Moet
De slang
Ze is opgetogen door de buurt gegaan En heeft het laatst sensatienieuws besproken Met naaisters en die in de winkels staan Het kwaad gesierd en ’t goede afgebroken. De rijke zieke heeft zij zeer gevleid: ‘Wat is er veel van
Uit een zolderraam
Hier ziet men niets dan daken; prachtig zijn Door ’t leven zij vervormd, en zoo gekorven, Als mannen die het ijzren kruis verworven Hebben, en na den slag veel zachter zijn Dan vroeger, en zeer veel menschlievender. Zoo laten zij