Wie durven deze weelden met mij deelen, Luchtspiegelingen eener eenzaamheid? Slechts die tot veel versterven zijn bereid Vermogen met den waan als kind te spelen. De koorts van hitte en dorsten is begonnen. Bloeds oergeruisch spreekt met zijn jonge stem.
Auteur: Helma
Ik vrees zijn spelen in de drukke straat
Ik vrees zijn spelen in de drukke straat, En zijn aanbidlijke onvoorzichtigheden. Ik ren hem na, en ben niet eer tevreden, Voor, wild en willig, hij zich vangen laat. Hij groeit, en alles wat zijn stem verzwijgt, Zie ik in
Ook deze droom was schoon: ik zag u spelen
Ook deze droom was schoon: ik zag u spelen; Een goede makker, werd ik u vertrouwder. Ik voelde ’t hartlijk duwtje van uw schouder En mocht in al uw heerlijkheden deelen. Gij zeide, en koindt een lachje nauw verhelen, Gij
O droom, die in een slapeloozen nacht
O droom, die in een slapeloozen nacht Verschenen zijt voor wakkre brandende oogen, Gij naamt uit mij vorm en bestaansvermogen. ‘k Heb u verwekt en smartlijk voortgebracht. Eindelijk zie ik, bang, de late pracht Van uw gelaat, o zoon, mij
Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon
Ik ben geen vader, en ik heb geen zoon. Niets dan een sage is zijn zacht bestaan. Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan In grootte en glans en werd volwassen-schoon. Nevens mij, glorieus en monotoon, Verging de kringloop van
De Lichtstreep – II De gedroomde zoon
Ik ben geen vader en ik hèb geen zoon. Niets dan een sage is zijn zacht bestaan. Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan. In grootte en glans en werd volwassen-schoon. Nevens mij, glorieus en monotoon, Verging de kringloop van
Dit blijft altijd: dat mij uw oogen lichten
Dit blijft altijd: dat mij uw oogen lichten Achter het zwerk dat u voor mij verbergt, Achter den nacht die met zijn sterren tergt, Achter der dooden zalige gezichten. Ergens doorboort gij stralend dit heelal En stuwt uw trillingen naar
Gij zijt nog nooit zóó teer verschenen
Gij zijt nog nooit zóó teêr verschenen. Ik zie u treden uit den wand En kus uw toegestoken hand, Gij zegt: het is niet goed, te weenen. Een oogenblik voel ik u lenen Aan mijnen schouder, uw gezicht Is als
Wilt gij nog hooren dit belijden?
Wilt gij nog hooren dit blijden? De woorden vallen zwaar en stroef. Want dit verhaal is kort en droef: Wij waren zalig met ons beiden. Beminden denken niet aan scheiden, Eer dat het uur van scheiden sloeg, Dat alle ellenden
Men heeft mij iets heel liefs gegeven
Men heeft mij iets heel liefs gegeven: Een rozentuil van regen zwaar. Wat heb ik tegen hen misdreven? Zoo lag doods dauw over uw haar. Schaduwen dreven in uw oogen. Zij vlamden één hel oogenblik, En hebben zich niet meer