Of ‘k wakker aan Uw ij zren greep ontkom, Gij weet wel, dat ‘k voor U in droomen krom. Wat mij des daags door U wordt kwijtgescholden. Betaal ik ’s nachts met woekers hoogen som.
Auteur: Helma
Mijn handen lagen op uw zachte haren
Mijn handen lagen op uw zachte haren, Als op het rad de zaalge martelaren, Zoo smartelijk en glanzende verbleekt, En rustig of zij reeds gestorven waren.
Wat baat mij nu mijn smachten en verlangen
Wat baat mij nu mijn smachten en verlangen. Gij laat mij rondom door de doornen vangen. Mijn liefde is voor U slechts een wollen vlok, Die bij het dringen aan de heg bleef hangen.
O vaste wetenschap, dat ginder heil is
O vaste wetenschap, dat ginder heil is, Dat ’t tusschen U en mij maar ééne mijl is. Al blijft Uw boot nog verre van mijn roep, ‘k Weet, dat Uw vaartuig naar mij onderzeil is.
Mijn kreet moet ergens aan den hemel stuiten
Mijn kreet moet ergens aan den hemel stuiten. Open Uw deuren, God, en treed naar buiten. Leun uit het venster, roep een korten groet, Of laat Uw glimlach glanzen door de ruiten.