Calvijn

Hij met de doodskop en fanatisch boos Van baard en ogen, kon geluk ontberen. Waarom de Souvereiniteit des Heeren Juist hem tot feilloos treffend wapen koos? Hij wierp zich ziende in het grondeloos Diep van Zijn eeuwige genaverbonden; Verheffend bovenal

Luther

Hij was en bleei een drift gebonden boer, Die zingen kon zoodat het klooster dreunde, ’s Avonds sloeg hij verwoed op schonk en schoer, En niet de duivel, maar hij brulde en kreunde. Tusschen zijn IachIust en bezetenheid, Dit felle