Venetië I

Voor Bram ’t Weerzien was schooener dan het eerst begroeten … ’t Water lag wijder en de uitheemsche drooemen Die jarenlang ons kwellend bloed verzoetten, Zijn iederen dag levend tot ons gekomen. Wij gleden in de gondels het verleden Tegen

Parijs I

Voor Bram Dit is Parijs: oneindigwijde pleinen (Omgromd van veil rumoer, en bonte seinen Bliksemend tusschen zinloos snelverkeer) In een vreemdgulden eeuwig lenteweer. Van stille en van stuivende fonteinen Is ’t laag ombuigen en het hoog verdwijnen In een vaag

Parijs II

Voor Bram Glimlachend prachtige, en donkerrosse, Doordonderde en ongerepte steppe, Over uw zwijgen en uw razen kleppen De klokken als de spechten in de bosschen. Dagelijks komt dit kloppen tot uw hart En dringt steeds dieper met de bloeddruk binnen

Brugge

Wat zal het heden schoon in Brugge zijn! Deze verstilling van het onverwacht Vereeuwigde, en ’t nieuwzijn van de nacht Over de rijpe witte maneschijn! De bladeren, doorschijnend en verguld, Suizen rond ondoorgrondelijk verkoren Verbeeldingen, die dood en weêrgeboren Den