De bron

Hij was een stil water in de zon. In een klein dorp was hij de bron Waarheen de jonkvrouwen togen. Zij kwamen met zachte oogen Bij hem vandaan, Want diepte en donker staarden hen aan, Als zij zich, spiegelend, bogen.

De vliegenier

Hij gonsde langs den hemel Als een bij langs het raam. Zijn vermetel lichaam Viel op Gods schemel. Werd hij nedergestooten, Was hij te aardsch? Zijn oogen staren uit zijn roode Bloed hemelwaarts.

In droogte

Die zondes brand bestrijdt met vuur En menschenharten en natuur, Wat leeft van U gescheiden, Wilt zaligen door lijden, Och Heer, wordt ook door regen mild ’t Uitslaande vlammen niet gestild? En kan Uw stroom van boven Niet ’t gluipend