Hij was een stil water in de zon. In een klein dorp was hij de bron Waarheen de jonkvrouwen togen. Zij kwamen met zachte oogen Bij hem vandaan, Want diepte en donker staarden hen aan, Als zij zich, spiegelend, bogen.
Tag: gedicht aanwezig
De vliegenier
Hij gonsde langs den hemel Als een bij langs het raam. Zijn vermetel lichaam Viel op Gods schemel. Werd hij nedergestooten, Was hij te aardsch? Zijn oogen staren uit zijn roode Bloed hemelwaarts.
Ontmoeting
Zij kwam hem tegen vlak bij huis. Hij tikte vriendlijk op haar schouder, En zei, het klonk als zeegeruisch: Doe wat nog moet, want gij wordt ouder. En zij: mijn huis is lang bereid Ik weet, wien alles zal behooren.
Ave Christus! Praemortui to salutant
Dit is ons laatst verlangen In onze laatste nood, Nu harten en gezangen Zijn volgestroomd met dood: O Christus, dood gebloed! Zie, hoe wij moeten Ons bloed boeten Om uw bloed! Nu bréékt het leven open, Een vrucht van rijpheid
Sluimerliedje
Pleegt gij nog onverdroten De zoete jokkernij Slaap lokken en verstooien? En blijft gij waaksch en blij? Zal dit gestadig kwellen Van levens last en lust U tot den droom verzeilen? Nog lachen door uw rust? De nacht komt neergestreken
In droogte
Die zondes brand bestrijdt met vuur En menschenharten en natuur, Wat leeft van U gescheiden, Wilt zaligen door lijden, Och Heer, wordt ook door regen mild ’t Uitslaande vlammen niet gestild? En kan Uw stroom van boven Niet ’t gluipend
‘Ich bin’s, ich sollte büszen!’
Ik kan den last niet langer dragen En snik, wat ik te zwijgen zocht Ik heb, gij hoeft niet langer vragen, Den Heer verraden en verkocht. Men bood, ik eischte, en mijn handen Grepen begeerig naar het geld, En klinkend
Consummatum est!
(Het is volbracht) Er werd geen woord gesproken. Wij zaten bang verdoken Als vogelen in t nest En plotsling dreunde t: Consummatum est! De hemelen bezweken, De wereld was ontweken Aan ons bestaan er rest Niets dan Uw doodskreet: Consummatum
Pinksteren I
Ze wisten niet, dat God kan bloeien Uit mannen zoo verweerd en grauw, En dat zijn Geest een vale vrouw Gelijk een versche roos doet gloeien; Dat stemmen, heesch van weer en wind En schettrend op de vingers gillen, zóó
Pinksteren II
Wij smeeken: met Uw Geestes gloed Verteer ons als een offerande. O, dit is onze diepe schande Dat wij zoo koud zijn van gemoed. Als een versiersel op ons hoofd Willen we uw stille vlam wel dulden, O God, vergeef