Goethe

Hij is zichzelf een god geweest, Want wat hij van den Eeuwge heeft bekend, Was op het verre firmament Slechts een projectie van zijn eigen geest. Hij dacht: hij was een samenspel Van vreemde krachten en hun tegenstand. Hij was

Boeddha

Rond u is hunkeren en vasten, En aan de grenzen van uw vreê Hoort Gij het bidden der belasten Vermurmelen gelijk een zee. Uw handen kunnen niet meer tasten En niets omvatten, en gedwee Laat gij uw oogen zich vergasten