Papaver

Haar wortels hebben met beleid Zich omgewend en heengebogen, Tot ze uit de duistre stroomen zogen Van slaap en droom en doodlijkheid. Jeugds lieflijke sereniteit Rees bleekgroen in de nuchtre beemden En welkte, maar de hooge, vreemde Droom pronkte in

De stad

Hoe heerlijk is het doelloos dwalen In vreemde stad, met vreemde liên, En gretig naar zich toe te halen Alles wat de oogen kostlijks zien. Als op den hof het vochte ronken Van ’t vee den slaap kruidt van ’t