De herders zagen Hem als Lam, En, blanke Visch, met koene sprongen, Verscheen Hij den verbaasden jongen Visschers, en als een Leeuw zoo gram Greep Hij den krijgsknecht; de matronen Vertroetelden Hem als een Kind, Hun dochters hebben Hem bemind,
Tag: gedicht aanwezig
Het medaillon
Ze lei het aarzlend op een geel Doodsbed van week verwelkt fluweel, En heeft toen zacht met haar devote Handen het doosje toegesloten, En dacht: nu ligt in gouden schrijn Temidden van juweelen schijn En streeling van zijn eigen haar
Papaver
Haar wortels hebben met beleid Zich omgewend en heengebogen, Tot ze uit de duistre stroomen zogen Van slaap en droom en doodlijkheid. Jeugds lieflijke sereniteit Rees bleekgroen in de nuchtre beemden En welkte, maar de hooge, vreemde Droom pronkte in
De thuiskomst
Niet, dat ik ’t koele vaderland verliet En het rechtzinnig hart der dorpelingen, Die dolers houden voor verworpelingen, En zich verharden tegen vreemd verdriet, (Zij kennen ’t wezen van hun zonen niet, Vergaten wat ze in eigen jeugd begingen) En
Er waren snikken toen ik wederkwam (De thuiskomst)
Er waren snikken toen ik wederkwam, En warme handen, driftig toegestoken, En een klein lachen, dat al werd gebroken, Eer ik het teeder in mijn oogen nam; En lichte woorden, een begin van vlam, Kwamen uit stilte en een duisternis
Lees meer Er waren snikken toen ik wederkwam (De thuiskomst)
De Goede Herder
Hoe zwoegt Gij door den nacht? Hebt Gij het pad verloren? Uw schoenen en Uw vacht Verscheurden sneeuw en doren. Gij knakt onder Uw dracht, Wie zal Uw vallen schoren? Hoe zwoegt Gij door den nacht? Moest dan het lam
Het vertrek
De paarden laten draven langs de straat, Den rauwen praat van ’t ruige volk te hooren, De zwaarte schatten van het rijpend koren, En ’t vee betasten naar zijn waarde en staat, Het spotten met den schommelenden gang Der vrouwen;
De stad
Hoe heerlijk is het doelloos dwalen In vreemde stad, met vreemde liên, En gretig naar zich toe te halen Alles wat de oogen kostlijks zien. Als op den hof het vochte ronken Van ’t vee den slaap kruidt van ’t
Overpeinzing
Ik zei: ’t geluk zal mij verfijnen ! Nu weet ik, dat de weelde moordt. Mijn oogen glanzen niet, maar kwijnen, En al mijn krachten zijn verstoord. Mijn hoofd verdoft een priklend suizen. Een pijn doorgluipt mij en verspet En
En hij peinst:
I Toen ik nog thuis was, volgde ik ’t ruischen Van ’t water door het eng ravijn Om mij te lesschen en te kuischen Na jacht met boog en javelijn. Dan, trotsch op eerelijk gewonnen Buit, en gezond- en zuiver