Het Museum Ik ging de blijde beelden langs, de ranke Marmeren knapen glanzende van leven Met stil lachtende lippen, leenge flanken, Die ’t driftig sidderen in trager beven Verrillen lieten, tippend op de teenen, Heupwiegend op een hooggewreefde voet, Op
Tag: gedicht aanwezig
Koorts I, II
I Heer, ik zink weg in duizeling en pijn, Wat ik gedacht, gedroomd heb en gelezen, Komt als een werklijkheid om mij gerezen. En ik moet in die vreemde wereld zijn. En schoon ik wakker ben, en weet: ’t is
De pluk
Een dag in ’t najaar zal het zijn Van blauwe lucht en zonneschijn ‘k Rust aan den warmen heuvelrand En overschouw het brandend land En zie, hoe Gij U rekt en bukt En vruchten in den bongerd plukt Dan treedt
De krankzinnige
Wij weten niet, wat God met ons wil doen, Nu Hij ons kwetsbaar in de wereld zette. Of Hij ons wil opkweeken of verpletten: Een roos wordt teelaarde in het laat seizoen. Wij bloeien, en de winden grijpen ons. Vormt
De roos
Ik waakte, en zag het daglicht hangen Als schemer in ’t geplooid gordijn, En smeekte: laat mij weer verlangen, En vol van levens onrust zijn. Neem alle rust en alle vrede, Het zatte hart haakt naar den dood. O, laat
Genezing
Het leven is nog zoo ver: Iets dat men droomde of las in boeken. Dood? donker en lieflijker En niet te roepen of te zoeken. Zijn adem hijgt naast het ledikant. Hij wacht tot ik langzaam en zwaar mijn hand
Een dichter
In het gedicht liet hij zijn woorden staan Als arme menschen met hun kindren doen. Zij geven hun een snelle ruwe zoen En laten hen de drukke straat in gaan. Toch is er een traag omzien bij de deur, En
Het dogma
Het dogma is geen doode leer, maar levende lofzegging. Ons hart bespeurt U in den wind En ’t lauwe bloed begint te branden Wij schutten met beschaamde handen Ons aangezicht, wijl Gij ons mint. Uw hand beroert ons; wij vergeten
De glasblazer
Ik schep den Schepper na; door vuur En wind vorm ik een leven puur. De slechte stof wordt door mijn macht Herboren tot een loutre pracht, Door t vuur tot in de kern doorgloeid Geeft het zich over en het
De verzenzegster
Voor Maria van Royen Zij zeide langzaam verzen, en het was Een zoet geruchten als van zomerregen In windeloosheid, en het zeer genegen Aarzlend verwelkomen van wachtend gras. Koelte doorstreek haar stem, alsof een glas- Kralen gordijn klaar ritselde in