Brussel II

Het Museum Ik ging de blijde beelden langs, de ranke Marmeren knapen glanzende van leven Met stil lachtende lippen, leenge flanken, Die ’t driftig sidderen in trager beven Verrillen lieten, tippend op de teenen, Heupwiegend op een hooggewreefde voet, Op

De pluk

Een dag in ’t najaar zal het zijn Van blauwe lucht en zonneschijn ‘k Rust aan den warmen heuvelrand En overschouw het brandend land En zie, hoe Gij U rekt en bukt En vruchten in den bongerd plukt Dan treedt

De roos

Ik waakte, en zag het daglicht hangen Als schemer in ’t geplooid gordijn, En smeekte: laat mij weer verlangen, En vol van levens onrust zijn. Neem alle rust en alle vrede, Het zatte hart haakt naar den dood. O, laat

Het dogma

Het dogma is geen doode leer, maar levende lofzegging. Ons hart bespeurt U in den wind En ’t lauwe bloed begint te branden Wij schutten met beschaamde handen Ons aangezicht, wijl Gij ons mint. Uw hand beroert ons; wij vergeten