Kinderland

Het is niet goed, dat men zijn kinderland Vergeet, maar ’t kan zoo ver zijn als de rijken Der voortijd, die luchtspiegelingen lijken Voor een groot donkeren. Is Trojes brand Niet grootsch en ijl tegen den hemelwand En komen de

Bijeenkomst

Zij zongen stijfjes: kom toch mede, makker! Een juffrouw had hen leuterend geleid. Maar ’t bracht geen warmte en geen gezelligheid. En toen getuigde een ongezonde bakker. Hij zeide met iets zalvends in zijn stem, Of hij ongare broodjes aan

Feestdisch

De feestdisch is gedekt in ’t lommer.Wanneer het windje even waait,Komen er zonnevlammen gelaaidIn het kristal, zooals de kommerTot vuur kan worden in een dof moe hoofd.De borden, de servetten en de schalen, Het witte zilver en ’t felblank der

Rozen

Vandaag heb ik mijn hart aan u verloren, Rozen, zoo rood als versch vergoten bloed. Ik zie in u den ouden liefdegloed, Die, nieuw, elk jaar in ieder wordt herboren. En, o, het stille lichten der ivoren! Dit is zoo