Nu murmelen de beken en de bronnen. De groote dooi der wereld is begonnen. Nu ruischen alle harten tot U op En spillen ’t leven gul en onbezonnen.
Tag: gedicht aanwezig
Och, dat het leven als dees avond werd!
Och, dat het leven als dees avond werd! De aard ligt bebloemd, de hemel staat besterd. En overal heerscht Gij, o mijn Beminde! Gij schijnt in ’t hart en weerlicht in de vert’.
Besnuffel hemels heil maar onverdroten
Besnuffel hemels heil maar onverdroten. Den Heiland hebt gij telken dag verstooten. Ziet ge niet hoe Hij onder u verwijlt: Hongrig en naakt, melaatsch en uitgestooten?
Gij zijt een God, Die U verborgen houdt
Gij zijt een God, Die U verborgen houdt, Echo, verscholen in het diepst van ’t woud. Hoe, zegt Gij, zou Ik antwoord kunnen geven, Als niet tot roepen zich uw stem verstout!
Ik moet wel weenen, wijl Gods hand u brak
Ik moet wel weenen, wijl Gods hand u brak, Heldere geurige appelbloesemtak. O, als Hij u maar naar den hemel meenam En in een vaas vol levend water stak
O zalige avond, de verdwaasde lippen
O zalige avond, de verdwaasde lippen Lieten een schat van lachen waardloos glippen. Ziet gij de sterren? vroeg uw stille stem. Ik: ‘k zie door nevelen twee gouden stippen.
Leid mij niet in verzoeking, houd mij staande
Leid mij niet in verzoeking, houd mij staande, Nu Gij mijn weg dwars door de rozen baande. Hoe zal ik U bereiken, blind van gloed En duizelende door hun geuren gaande?
Zij hebben in hun leer U opgevangen
Zij hebben in hun leer U opgevangen En als een spiegel voor zich opgehangen. Daar zagen zij hun eigen aangezicht En meenden dat Gij waart naar hun verlangen.
Of dag zich der gedachten meester heet
Of dag zich der gedachten meester heet, Of nacht met slaap ons te begoochlen weet, Mijn droom en denken komt tot u gedreven, Als ijzervijlsel stuift tot een magneet.
Ook deze bloei van liefde gaat voorbij
Ook deze bloei van liefde gaat voorbij; De schoone klaproos laat haar blaadren vrij. Doet God zijn winden langs de wereld waaien, O lief, wie denkt aan u, wie denkt aan mij?