Voor Wilma ’t Was in de schemering en aan den wand Der matte ruiten viel een vaal beloken Licht, door de dikke traliën gebroken, En trok zijn vage grens langs stiltes rand. Toen zag ik de gelijkenis van een hand,
Tag: gedicht aanwezig
Toen strektet Gij Uw handen uit
Toen strektet Gij uw handen uit, En naamt mij, als een vrouw de luit, Die zij met zachte hand betokkelt: Mijn ziel brak open in geluid.
Wie stoort zich nog aan Uw gerechte tucht?
Wie stoort zich nog aan Uw gerechte tucht? De heele wereld is Uw wet ontvlucht. En de enklen die nog naar Uw liefde hooren, Zijn voor de wonden Uwer min beducht.
Gij zijt het die het vele koren voedt
Gij zijt het die het het veie koren voedt Met onze ellenden, met ons vleesch en bloed. Hoe zal een nieuw geslacht verjongd verrijzen, Als de oude kwaal in hen herleven moet?
Wie heeft zijn water uit U, Wel, geput?
Wie heeft zijn water uit U, Wel, geput? Wie heeft U, Brood, in eenzaamheid genut? Wie heeft zich in U, Donker, laten huilen? Die is voor dood en duivel wel beschut.
Uw damp ontstijgt aan zeeën en rivieren
Uw damp ontstijgt aan zeeën en rivieren, Uw glans rilt langs de vellen van de dieren. Uw licht straalt aller menschen oogen uit, O Vuur, welks gloed de dienende englen vieren.
U zien
Of Gij niet hoort, toch schreeuwt mijn hart Nachts angstaanjagend donker in, Of mij niet eindlijk een begin Van troost gewerd. Ik heb Uw pand, ik heb Uw woord! Wat baten beiden Als Gij niet hoort, Of luistert zonder medelijden?
Paaschmorgen
Ik zag ’t wel lichten langs den grond, Maar dacht, het was een vlek van zon. En ’t scheen, ik zelve werd een bron, Daar ik te wenen stond. Door ’t drupplen mijner oogen dreef Een zevenkleurig schitterspel. En altijd
München I, II
I München, uw naam is als het lichte suizen Der lente, die met frisch en fleurig groen Een paradijs maakt van een stadsplantsoen, Elysium een bleekje tusschen huizen. Alle verlangens, die het hart doorkruisen, Leefden hier sterk maar stiller, want
Eenum
Ets van Johan Dijkstra Ziel heeft de hevigheid van haar verlangen Met macht bedwongen en zeer scherp gewet. En toen in felle en strenge lijn gezet Het land, dat haar zoo zalig hield bevangen. Onder t geweld van wolken en