Gij zijt de Zon, en ik de regenwolk, Licht naar Uw licht en donker voor het volk. Uw lachen laat mijn zachte glimlach glanzen. Zwart schaduw ‘k in huns harten zwarte kolk.
Tag: gedicht aanwezig
Als Gij de schelp mijns levens opensteekt
Als Gij de schelp mijns levens opensteekt, Op zoek naar schat dit broze lichaam breekt, Zie, ’t scherpe leed dat Gij liet binnendringen, Heb ik met zorg tot parel opgekweekt.
Hij had den hamer in Zijn hand genomen
Hij had den hamer in Zijn hand genomen. Ik zag den slag, en kromp in angstig schromen. God! sla de wanden van mijn hart niet in! Hij zei: hoe zou Ik anders binnenkomen?
’t Hart, dat niet zwierf, kan nimmer thuis geraken
’t Hart, dat niet zwierf, kan nimmer thuis geraken. Die wereld won, kan haar alleen verzaken. Die zich verloor, hervindt zichzelf in U. Slechts zondaars kunnen Uw genade smaken.
Nooit kwam een dronk de ziel zóó duur te staan
Nooit kwam een dronk de ziel zóó duur te staan, Als ’t water uit beminnens oceaan. O lafenis, die wreeder dorst verwekt, Totdat wij aan den dorst ten gronde gaan.
Ik overtrad Uw wetten achteloos
Ik overtrad Uw wetten achteloos. ‘k Deed onbekommerd wat mijn hart verkoos. ‘k Was vroolijk en de slaap kwam alle nachten. Nu ‘k rouw en Gij vergeeft, blijf ‘k slapeloos.
Ik weet wel, dat Gij ergens wacht daar buiten
Ik weet wel, dat Gij ergens wacht daar buiten, Maar ‘k zie U niet door de beslagen ruiten. Onrustig ga ik in mijn woning om. Ik heb U lang en dringend hooren fluiten.
Als zorgen Uw gelaat voor ons verhelen
Als zorgen Uw gelaat voor ons verhelen, Komt Ge als een zon langs alle dingen streelen. De honden wenden zich naar U niet om. De kindren voelen, dat zij schooner spelen.
Dit is het wat mijn bange hart verplet
Dit is het wat mijn bange hart verplet: Gij eischt berouw, en hoort niet mijn gebed. Gij wilt de boete en let niet op de daden. Gij wilt vernieuwing en ik blijf besmet.
Wie kent de koop, vóór hij de koopwaar mijnde?
Wie kent de koop, voor hij de koopwaar mijnde? Wie voelt de wonde, voor de wonde schrijnde? Wien rouwt de zonde, éér hij in zonden viel? Wie kent zijn leven, é ér zijn leven eindde?