Nu komt het donker met zijn zoet Berouw en met zijn week verdriet. Nu stijgt verlangens lauwe vloed Ter lippen … en gij zijt er niet. Gij zijt hier niet … ik luister stil Naar ’t suien van den wind
Auteur: Helma
De wijnstok
Aan uwen sterken muur gestut, Voor allen guren tocht beschut, O God, laat dragen In zuivre lucht, Mijn eedle vrucht, Naar uw behagen. Gij, die de winden hebt geluwd, Uw zoetheid in mijn vrucht gestuwd, Warm gouden zeemen, Zoodat de
De ziel zegt:
Kom mijn ellendigheid te hulp In deze schaamle leemen stulp. Ik staar uit ’t duister naar het licht Van uw verblindend aangezicht. Hoor ik uw stap nabij de deur, Ruik ik uw zoeten nardusgeur, Zie ik uw glimlach, als een
Aandachtig gedicht
Wanneer ik tot u bidden wil, Dan moet de wereld om mij stil En ook mijn hart moet stille wezen. Want in een zwijgen daalt gij neer, En door de windelooze sfeer Komt mijn gebed tot u gerezen. En zelfs
Geestelijk lied
Die eenmaal hem beminnen mocht, Moet hem altijd beminnen. En die hem zeer te vinden zocht, Als eenen kleinen kinde, Dien neemt hij liefdrijk bij de hand En leidt hem naar zijn land. Die eenmaal in zijn dienst wou gaan
Najaar
Dit laat getij heeft ijler pracht gevonden Dan vlammende oogen en ’t hartstochtlijk rood Van blozingen, die den verkoren nood Der kinderlijke zielen schoon verkonden. Het is de herfst; ’t begeeren onzer monden Schikt zich gelaten en vermoeid ten dood.
De overgave
Ik kan Uw wil niet meer weerstreven. Ik kan Uw et niet meer weerstaan. Ik moet mij aan U overgeven, Want Gij zijt nergens meer te ontgaan. Hier, neem mijn handen; klink de boeien Zorgvuldig met de bouten vast. Mijn