Mijn God, geef mij de zekerheid, Dat ons Uw hemel openstaat; Dat ’t schemeren van Uw gelaat Reeds over onze hoofden glijdt. En maak de schemering tot licht En tint de luchten rozerood. We ontberen, smartlijker dan brood, Den glimlach
Auteur: Helma
Drie jongensportretten – III
Een beeldje uit geel ivoor gesneden, Zoo fijn van vorm, zoo strak van lijn, Zoo warm van toets, in stillen schijn Van ingekeerdheid en gebeden. Klare oogen in dit zeer tevreden Knapengezicht als lampen zijn, Die stralen over ’t innig
Drie jongensportretten – II
Zijn honingverwig haar valt zacht Tot aan zijn raadslige oogen neêr. Ze schijnen donker, groot en teêr In ’t roomig aanzicht, als hij lacht. Hij lijkt een prinsje uit oud geslacht, Maar mist de hooge lustloosheid, Die hun verheven wezen
Drie jongensportretten – I
Hij stond te zingen in het kleine koor Zoo rustig, of hij thuis voor moeder zong. Zijn stem, die niet om gunst of gaven dong, Drong helder in de donkre harten door. Hij wist niet wat er wentelde en wrong
Maria-liederen – IX Verrijzenis
En hij was voor ’t weenen harer oogen Als de zon, die schitterend zijn hooge Glorie spiegelt in de morgendauw. En ze voelde haar verklaarde wezen Tot hem stijgen als de licht gerezen Dampen uit de versch geploegde gouw. En
Maria-liederen – VIII Pietà
Ach, nu leeft gij enkel in mijn klagen! Dóód is op mijn moeden schoot gedragen, Waaruit al der wereld heil ontsproot. Wat beteekent specerij en wade Nu geen teederheid en tranen baten! Wij bestendigen alleen den dood. O mijn zoon!
Maria-liederen – VII Kruisiging
Doch nú is hij eindelijk haar eigen! Na hun lasteren, in hoonend zwijgen Staan zijn beulen rond ’t gevloekte kruis. En zij staat zoo licht van hart te wachten, Want uit donkre diep verholen schachten Riep zijn liefde om móeder
Maria-liederen – VI lntocht
Alles had hij voor het volk gegeven, Maar zij wilden aandeel aan zijn leven En zij voerden hem als koning om. En hij reed over hun statiekleeden. Vroeger trad hij haar deemoedigheden, En wat werd háár nietig eigendom? En zij
Maria-liederen – V Het wonder
Neen, ze kon hem niet voor goed verlaten, En als hij door de overvolle straten Van de steden dwaalde, ging zij mee. Maar zij wilde slechts haar kind beminnen, En ze diende hem met haar vriendinnen, Zij voorkwamen zijn bevel
Maria-liederen – IV Het stille leven
Ach, zij kon het vragen alle dagen Van ’t ontwaakt verlangen niet verdragen En zij was verdrietig en verbood. Want zij wilde zijn gedachten leiden, En ze zag, hoe hij iets groots verbeidde, Wat zij zelf niet kende, en werd