De hyacint

In stijgende verwondering, Gesteld op ’t zondoorgloeide glas, Mijn stille dorsten onderging Een heuldronk levenlauw, mijn dood genas. Ik, nieuw en nuchter, groene loot, Glijd rustig uit mijn bruine pij. En plotsling bonst mijn hart en stoot, Zoo naar het

Gebedje

Die den regen neêr doet stroomen En een flits van zonneschijn Door de dwarse vlaag laat komen, En een zoetheid in de pijn, Die het merg sterkt in de boomen En de spanning in den wijn, Laat uw Geest heer