Na warme dagen volgen koude nachten. Als lakens ligt de dauw op bleek en haag Versteven naar wat zonneschijn te wachten En slaat in wolken op en regent traag. De struiken tinkelen met haarfijn ijzel. En in de hof, de
Auteur: Helma
Het riet
Zoo diep gebogen, terneêrgeslagen, Zoo bevende en traag weer opgericht, Zoo wankelend onder ’t zware dragen Van kroon en kragen staat ’t riet in ’t licht. Ruischende buigen de legerscharen, Ritselend staan ze weder gerecht, Bukkende prevelend de oude mare
De donderbui
De lucht betrekt, het zand stuift op, Hoog torent zich de donderkop, Die blauw als lei, en koperrood, Dreigt met vernieling en met dood. De bliksem, kort en lang van lijn, Gelijk een zenuwachtig sein, Meldt ademloos: wie vloeke of
Afgesneden rozen
In ’t slapen afgesneden, Doorstroomd van droom en blos, Zijn toekomst en verleden Opeens vervuld en los. Nog willen zich ontwinden De roomen knoppen, rood Van ’t worstlen met de blinde Omsluiering van dood. En langzaam krijgt de sterke Drang
De kastanjes
Zoo geel als een bezonde lentewei Zijn de kastanjes nu de knoppen sprongen. De vochte blaadjes glimmen mild als zij, Als blond dons om de lippen van een jongen. ’t Is alles nieuw; in weelden ongekend, In ongeweten zaligheid ontvouwen
De wijnstok
De grove muren slurpen zon. De bijna doode druivelaar Hangt voor het laatst, bewaasd en zwaar, Zijn gouden trossen langs ’t balkon. O mild en edel creatuur, Dat zoo verkommerd en zoo oud, Nog laafnis biedt, gezond en puur, Kostlijk
’s Morgens
Als ’t lichaam ’s morgens bij ’t ontwaken, (O zoetste rust !) weer ’t dons induikt, Komt er een vaste stap genaken, Wordt ’t raam door zeekre hand ontluikt. De zonnestralen dringen binnen En gunnen langer rust noch duur. Hun
De tuinman
De rozen, hulplooze en vermeetlen, Heeft hij vertroeteld en ontzien De koninklijke op eerezeetlen, Die overweldigen en gebi?n, De schaduwpaarsen, de zwartrooden, Alsof de dood hier staat en bloeit, De raadselachtigen en blonden, Die men bewondert, maar niet moeit. De
De ploeger
De spieren en de strengen strak gespannen, Den kop snuivend omlaag, de pooten stijf, Geliefkoosd door den montren roep der mannen, De staarten zwaaiend om het zwoegend lijf, Rammen de paarden met het knauwend kouter, O duldende aarde, uw donker
Voorjaar
De vreemde stille zonnedagen Bezinken in het roerloos hout, Dat zwaar zijn zaligheid te dragen Begint en aan het licht vertrouwt. De dunne bast, in lenig rekken, Wordt ledergeel en bronzig rood. En glanzend gaat het rijs zich strekken En