Ik liep aan ’t strand, mijn harde roode voeten Sloegen een kreunen uit het natte zand, En plassend sloeg het water aan mijn voeten. Toen wierp de zee een schoon gedraaiden kinkhoorn, Een parelmoeren kinkhoorn, voor mijn voeten. Ik hief
Auteur: Helma
De keuze
Of wijn of waanzin! wien moet ik verkiezen? Mijn hart is een uit ’t nest gevallen vogel, Die wild verschrikt tusschen twee vallen vlerkt. Kies ik den wijn, dan zal ik aan den grond Genageld liggen, tot de pijn mij
Levenseinde
O wreede vrede: langzaam te veroudren. Mijn nageslacht zal zitten aan mijn voeten En tot mij opzien als een hoogen berg, Waarop de gunst des hemels sneeuw gestrooid heeft. Een zoon mijns zoons zal naar mijn voeten tasten. Hij voelt
Oud en dwaas
Ik had een afspraak, en in roode zijde En schoon gewasschen, trad ik voor den spiegel, Ik schrok en toornig trapte ik op het glas. Ik zag: mijn haar was grijs en dor geworden. Mijn oogen waren als het groezlig
Wachten
Viel er een kleine regen in de nacht? Een kraalgordijn heeft even zich bewogen, Ik luister, en ik houd mijn adem in. Ik stond voor een verlicht papieren venster. Mijn nagel gleed langs het doorschenen vlies, En daadlijk viel een
De held
De maan schijnt over levenden en dooden.De overwinnaars plunderen de lijken.De held trapt op de keel van de gewonden. Zijn sterke hand omklemt het breede kromzwaard.Zijn zwaard is heilig, want het heeft gedronkenVan mannenglans en kracht en dapper bloed. Lafhartig
Oorlog
De boomen overijlen zich te bloeien. De bloemen geuren overdadig mild. De jeugd glanst als een bliksem, en zijn gloeien Is even snel en schrikkelijk en wild. De hemel teistert met afgunstig waaien. Naakt staat de boom als een geschoren
De vlieg
Het brommen van een vlieg is in de kamer. Ik kan niet werken door dat domme brommen. ‘k Sla met mijn waairen, links en rechts, vergeefs. De keizer houdt niet van mijn hekeldichten. Hij heeft soldaten om mij uitgezonden. Den
De Keizer
De groote keizer heeft met mij gesproken. Ontzaglijk zat hij op zijn gouden troon. Als een gevouwen doek lag ik gedoken, Een zwarte voetmat voor den gouden troon. Boven mij sprak de Lieveling des Hemels En dwong mijn blikken schuchter
De banneling
Hoe bar, hoe onverzoenlijk bitter Heerst wintertijd over het land. De bodem prijkt met wit geschitter. De maagre boom staat zwart verbrand. De onzaalge boom schudt zwarte kraaien Onwillig over ’t witte land: Een groot penseel dat onheiltekens waaien laat