De ruiter had zich naar mij toegebogen En langde mij een brief van rijstpapier Ik heb mij voor uw ijlbode gebogen. Uw teekens lispelden: kom spoedig hier! Over het blad papier had gij de teeken- bloemen gestrooid met achtloos lief
Auteur: Helma
De brug
Ik heb het fluitje aan mijn mond gezet. Mijn vingers overtrippelen de gaten Buiten mijn tuin ligt de rivier gebed In maanlicht, en er rijst een brug van jade. Een brug van jade overspant het licht, Mollig van schaduw aan
Avondgebed
Gij hebt het daglicht weggenomen, En over onze levenstijd Begint erbarmend uit te stroomen De rust die Gij uw volk bereidt. Er is gearbeid en gezondigd, Met recht verstand en dwaas beleid, God, die aan allen vreê verkondigt, Wij hopen
De mysticus
Handelingen 17: 28. Hij dacht: hoe vind ik God, waar is de Heer? Daalt Hij tot mij, of vaar ik op ten hemel? Vlak voor hem was het bloeiende gewemel Van trillend gras, gelijk een bleekrood meer. Er ging geen
Emblemata – X Het bed
Hier zijn wij lijdelijk; ontzworven Blindlings aan moeders blinden schoot, Wordt ongewild in u verworven ’t Geheim van slaap en droom en dood. Slaap! dat is groeien en verkwikken Meer dan door lekkernij en brood. Eén wenk van u, de
Emblemata – XI Het vuur
’t Wordt laat, het huisgezin gaat rusten. De mannen klopten doodbedaard Hun houten pijp uit bij den haard, Terwijl de vrouw de tuiter bluschte. Nu heerscht er nog alleen de rosse Gloed van het vuur, dat zachtjes knerpt Door de
Emblemata – VIII De naam
Ze heten Jan, en Klaas, en Ko, Hun burgernaam maakt hen verlegen, Die glimt en geurt u muffig tegen Gelijk een appel uit het stro. Geboorte, trouw en overlijden Zien t plechtige familiestuk. Dan stellen zij het weer terzijde, Blij
Emblemata – VII De paddestoelen
In ’t bosch, alleen, en soms in kringen, Verschijnt dit zonderling geslacht, Zoo onverwacht als mijmeringen En droomen van geluk en macht. Verleidlijk zijn zij en zeer machtig, Beschikken over wee en wel. Zij maken ’t leven u deelachtig En
Emblemata – VI De bijen
Zij hebben in hun strooien hutten, Gedreven door ontembren vlijt, Een schat vergaard, niet uit te putten Door nooddruft noch brooddronkenheid. Maar ach, de mensch, tuk op bezitten Van wat een ander zich ontzegt, Heeft de met zoet gevulde kitten
Emblemata – V Het rusthuis
Hoe schoon begon de reis vanmorgen. De wegen waren koel van dauw. Maar God heeft straks den wind verborgen. De hitte maakt het harte flauw. Doch daar in ’t lommer is geklater, Een kleine bron spoelt met geruisch Haar helder