‘Wat haast ge u zonder kijken Langs werelds boedelhuis ? Hier hangt de pronk der rijken Gemerkt met naam en kruis? Die met gewende handen Mijn kleed en beurs betast, Ik spoed mij buiten lande Voorzien van dek en last.
Auteur: Helma
Gebed
O Heer, hoe vreeslijk zijn de dagen, Nu heel de wereld schreeuwt van nood, Naar uwe hemel waaien vlagen Kreten om bloed, klachten om brood. Gij geeft, en men verdelgt uw spijze, Verwekt kunstmatig hongersnood, En stilt op uitgezochte wijze
De roos
Rijk en luchthartig heeft de roos gebloeid. Haar zijden prachtgewaad was snel versleten. Van een berooid hart wil geen mensch meer weten. ’t Verhaal van armoe heeft nog nooit geboeid. Wie wandelt door een leeggewaaide hof? Wie plukt zich een
’s Morgens vroeg
De lucht is koel, de nacht is haast verdwenen. De witte hemel is zoo weltevreden En glanzend als mijn uitgeruste ziel. Ik zoem genoeglijk een ondeugend liedje. De slaap bedwelmt de moegewerkte mannen. Er zal wel niemand wezen die mij
Troost
Men heeft den Zoon des Hemels afgezet. Hij wou niet luistren naar de mandarijnen. Nu zit hij in een kale kloostercel En stopt zich alle dagen vol met rijst. De rijst is voedzaam en de keizersbuik Zwelt machtiger dan alle
De droom
Dit is een droom, die nooit wordt uitgedroomd: Ik ben een bloesemtak onder de sterren, Die ik beneden mij in ’t water zie. Ik zie: ik bloei temidden van de sterren. En langzaam drijft een zachte gele maan Binnen mijn
Li Tai Pee
Slagregen, stramme grauwe hagelbuien Beleegren urenlang ons klein prieel. De wijn zwalpt in de hooggemonde schalen. Wij hebben ’t lied van Li Tai Pee gezongen. Een duisternis trok dreigend door ons leven. Het bloed in onze harten zwalpte zwart. Toen
De vreemdeling
Een vreemdeling is in ons huis gekomen.Wij hebben onze wanden zóó geschoven, Dat hij een kamer heeft voor slaap en maal. Nieuwsgierig drukte ik in den wand een gaatje. Zijn bleek gelaat woelde in de zijden kussens.Zijn haarvlecht kronkelde gelijk
Lente
De hemel luwt, de lente staat te komen. De visch spat als een vonkenzwerm omhoog. De vogel tooit zich met den regenboog. En eensklaps bloeien de verstokte boomen. Een roode bliksem slaat dwars door het bloeien. Een rood gewaad heeft
Melancholisch
Helaas, helaas, helaas, de zomer ging. De laatste boot is over ’t meer vertrokken. Er is geen lied meer uit de luit te lokken. Zwart werd de laan, die vol met lichten hing. Een bedelkind is reeds naar buit op