Viaticum

‘Wat haast ge u zonder kijken Langs werelds boedelhuis ? Hier hangt de pronk der rijken Gemerkt met naam en kruis? Die met gewende handen Mijn kleed en beurs betast, Ik spoed mij buiten lande Voorzien van dek en last.

Gebed

O Heer, hoe vreeslijk zijn de dagen, Nu heel de wereld schreeuwt van nood, Naar uwe hemel waaien vlagen Kreten om bloed, klachten om brood. Gij geeft, en men verdelgt uw spijze, Verwekt kunstmatig hongersnood, En stilt op uitgezochte wijze

De roos

Rijk en luchthartig heeft de roos gebloeid. Haar zijden prachtgewaad was snel versleten. Van een berooid hart wil geen mensch meer weten. ’t Verhaal van armoe heeft nog nooit geboeid. Wie wandelt door een leeggewaaide hof? Wie plukt zich een

Troost

Men heeft den Zoon des Hemels afgezet. Hij wou niet luistren naar de mandarijnen. Nu zit hij in een kale kloostercel En stopt zich alle dagen vol met rijst. De rijst is voedzaam en de keizersbuik Zwelt machtiger dan alle

De droom

Dit is een droom, die nooit wordt uitgedroomd: Ik ben een bloesemtak onder de sterren, Die ik beneden mij in ’t water zie. Ik zie: ik bloei temidden van de sterren. En langzaam drijft een zachte gele maan Binnen mijn

Li Tai Pee

Slagregen, stramme grauwe hagelbuien Beleegren urenlang ons klein prieel. De wijn zwalpt in de hooggemonde schalen. Wij hebben ’t lied van Li Tai Pee gezongen. Een duisternis trok dreigend door ons leven. Het bloed in onze harten zwalpte zwart. Toen

Lente

De hemel luwt, de lente staat te komen. De visch spat als een vonkenzwerm omhoog. De vogel tooit zich met den regenboog. En eensklaps bloeien de verstokte boomen. Een roode bliksem slaat dwars door het bloeien. Een rood gewaad heeft