In droogte

Die zondes brand bestrijdt met vuur En menschenharten en natuur, Wat leeft van U gescheiden, Wilt zaligen door lijden, Och Heer, wordt ook door regen mild ’t Uitslaande vlammen niet gestild? En kan Uw stroom van boven Niet ’t gluipend

Hoogzomer

De slaap ontwijkt in deze lichte tijden. De schemering verdiept tot donkerblauw, En vóór dit zwart wordt, komt het morgengrauw Reeds als een rook de hemel overglijden. Klopt ’t bloed zo zwaar door onze ontruste rust? Zijn het de maaiers

Het grauw

Weest vruchtbaar, zeidet Gij; en onder alle volken Was ’t onze snel en stipt gehoorzaam aan Uw woord. Wij daalden als een zwerm sprinkhanen uit de wolken En overdekten ’t veld en teelden welig voort. De wachtgen schenden ons: Uw

De slang

Zij is de erkende profetesse. Haar achterklap en voorgevoel Worden aanvaard als wijze lessen, Gesproken met een ernstig doel. Wie haar ontmoet langs ’s heeren wegen, Stemmig van haardracht en kleedij, Weet niet, wat duivelin hij tegen Komt, vol van