Wij smeeken: met Uw Geestes gloed Verteer ons als een offerande. O, dit is onze diepe schande Dat wij zoo koud zijn van gemoed. Als een versiersel op ons hoofd Willen we uw stille vlam wel dulden, O God, vergeef
Categorie: Langs Den Heirweg
Pinksteren I
Ze wisten niet, dat God kan bloeien Uit mannen zoo verweerd en grauw, En dat zijn Geest een vale vrouw Gelijk een versche roos doet gloeien; Dat stemmen, heesch van weer en wind En schettrend op de vingers gillen, zóó
Consummatum est!
(Het is volbracht) Er werd geen woord gesproken. Wij zaten bang verdoken Als vogelen in t nest En plotsling dreunde t: Consummatum est! De hemelen bezweken, De wereld was ontweken Aan ons bestaan er rest Niets dan Uw doodskreet: Consummatum
‘Ich bin’s, ich sollte büszen!’
Ik kan den last niet langer dragen En snik, wat ik te zwijgen zocht Ik heb, gij hoeft niet langer vragen, Den Heer verraden en verkocht. Men bood, ik eischte, en mijn handen Grepen begeerig naar het geld, En klinkend
In droogte
Die zondes brand bestrijdt met vuur En menschenharten en natuur, Wat leeft van U gescheiden, Wilt zaligen door lijden, Och Heer, wordt ook door regen mild ’t Uitslaande vlammen niet gestild? En kan Uw stroom van boven Niet ’t gluipend
Sluimerliedje
Pleegt gij nog onverdroten De zoete jokkernij Slaap lokken en verstooien? En blijft gij waaksch en blij? Zal dit gestadig kwellen Van levens last en lust U tot den droom verzeilen? Nog lachen door uw rust? De nacht komt neergestreken
Hoogzomer
De slaap ontwijkt in deze lichte tijden. De schemering verdiept tot donkerblauw, En vóór dit zwart wordt, komt het morgengrauw Reeds als een rook de hemel overglijden. Klopt t bloed zo zwaar door onze ontruste rust? Zijn het de maaiers
Het grauw
Weest vruchtbaar, zeidet Gij; en onder alle volken Was ’t onze snel en stipt gehoorzaam aan Uw woord. Wij daalden als een zwerm sprinkhanen uit de wolken En overdekten ’t veld en teelden welig voort. De wachtgen schenden ons: Uw
De slang
Zij is de erkende profetesse. Haar achterklap en voorgevoel Worden aanvaard als wijze lessen, Gesproken met een ernstig doel. Wie haar ontmoet langs ’s heeren wegen, Stemmig van haardracht en kleedij, Weet niet, wat duivelin hij tegen Komt, vol van
Familiedag
Van heinde en verre komt de sippe saâm, Een dag per jaar, om met elkander te eten, En op te rakelen wat moet vergeten Der vaadren veeten en hun eigen faam. Zij smullen lang van ’t hartig nagerecht En lasteren