De boer

‘Zijn God onderricht hem’ De landsche dochteren en zonen Tezaâm. In stilheid opgegroeid, Met blonde haren, ronde konen, En armen waar het bloed in bloeit, Zien bij het rijpen hunner jaren Hun struischheid en hun taaie kracht, En als hen

Nazomer

Weinig schoone dagen Zijn ons nog gegeven. Laten wij den hemel vragen Om gelukkig leven: Nachten wit van dauw, Die laat optrekt, En als water zonnelauw Langs ’t gewas lekt; Om bezonken klaarte In vogellied en bruine sloot; Vruchten vol

Zon

De zon scheen binnen, en een lichte plek Op ’t tafelkleed gleed grillig heen en weer En trilde in ’t leege waterglas, en zeer Gewaagd sprong ze over naar het boekenrek, En ging gelijk een groote gouden roos Temidden van

De cactus

Hij werd vertroeteld en ontzien, de grijze, Wiens scherpte men, waardeerend, liefst ontweek. Hij scheen een lompe ronde zonnewijzer Die naar het wanellen van zijn schaduw keek. Onmerkbaar was zijn leven en zijn groeien. jongens en meisjes werden naast hem

Het geluk

Misschien is er in ieder leven, Na lang verdriet en hard gericht, Toch nog een klein geluk gebleven Bloemen en wolken en een licht. Glanzende komt het tot ons zweven, Blijft talmend aan den hemel staan, Zoodat het hart wordt