Houd onze hand omklemmend vast, En duld ons aarzelen en wikken, De tranen en de schuwe snikken. Gij weet dat liefde langzaam wast. Wij voelen hoe Uw glimlacht tast Warm door den nevel onzer blikken. En eer wij haar iets
Categorie: Langs Den Heirweg
Strijdbare jeugd II
’t Valt licht den vijand te braveeren, Die tartend tegenover staat, Maar bitter is ’t zijn heetste haat Tegen het eigen hart te keeren. ’t Liefste te schuwen en afweeren, Het kostlijkst weigeren als kwaad, Stil van gemoed en sterk
Strijdbare jeugd I
Den tyrannieken wil van ’t bloed Volvoeren vaardig mond en oogen. En koen, als ongekerstend, togen Tot euveldaden hand en voet. Lustige jeugd, rebelle moed, Door niets versaagd en ongebogen, Veel lijden moet ons hart gedogen Eer het Gods werken
In memoriam III (I-III)
I De tulpen en de hyacinten Ontvlieden brandend en ontdaan Dit kommervolle aardsch bestaan In visioen van geur en tinten, En ons verheugt hun schoon vergaan. Maar wij beweenen de beminden, Die Gods zoekende handen vinden En bloeiend in Zijn
Gebedje
Och Heere, kan ’t Uw wille Wezen, laat ons stille Voor U zijn. Misschien zou de pijn Die in ons als wijn Woelt, dan stille zijn. Och, even, Aan onszelf ontheven, Och, even Zich in U te begeven.
Lied
O Heer, Gij hebt gezegd, Ik huis niet met een knecht, Bij vrije zonen Wil ik wonen. Gij hebt ons lang gezocht En kostbaar vrij-gekocht. Leven om leven Dorst Gij geven. Meester van ons gemoed, O Broeder van ons bloed,
Overvaart
Ex. 33:2a. Gij langs den weg, ik over ’t pad Door korenland en weiden, Wij lieten naar dezelfde stad Ons door één dringen leiden. Nu staan wij samen aan het veer, Een vreemde naast een vreemde, Bezien elkaâr, slaan de
Leerstellig
Laat ons dezen nieuwen dag U ter liefde nieuw beginnen. Geef ons door Uw Geest gezag Om de dieren en de dingen Te regeeren naar Uw wil. Want als Uwe fluisteringen Ons doorvloeien zijn zij stil. Alles gaafs Ge in
De kluizenaar
Hij was de heele wereld doorgetrokken, Had op zijn crucifix en zwaard geleefd En bouwde een but van zoden en van blokken En werd een man, die naar den vrede streeft. Hij vocht met slangen en versloeg rabauwen En wandelde,
Pinksteren III
Wij denken niet meer om een lied, En kunnen nauw’lijks kracht verzaam’len Om wat te momp’len of te staam’len. Wij hadden, Heer, te veel verdriet. Wij zijn als het verregend riet, Het kan wel knapperen en knett’ren, Maar nooit zal