God, ik geloof in U, den schepper aller dingen, Die uit het niets èn aarde èn hemels kringen Geroepen hebt, en wat bestaat vervult En als een Vader onderhoudt en duldt. Gij hebt den mensch geschapen naar Uw beeld. Hij
Tag: gedicht aanwezig
De profeet
Gaat het ulieden niet aan, gij allen die overweg gaat? Klaagliederen 1 : 12a. Hij heeft mij aan den kruisweg opgesteld, En mij gemaakt tot een verschriklijk teeken. Hij krenkte mij; mijn spieren gaan verweeken En zwellen op; mijn leden
Spes unica
De winden zijn reeds opgestoken, De blaadren dwarlen heen en weer, Het doode hout wordt uitgebroken, De watervloeden storten neêr, ’t Is herfst, de dingen gaan versterven. Wij schuilen in een veilig huis, De storm tiert op verlaten erven En
Voorjaar
In wildernissen en plantsoenen Begint het lentelijk geluid Van nestelen, en de blazoenen Van alle bomen hangen uit. t Is groen met geluwe schakering In kruinen en vlak langs de grond. En in de tuin en langs de wering Pronkt
Geen zoete slok is hier door ons gedronken
Geen zoete slok is hier door ons gedronken, Of schielijk werd een bittre drank geschonken. Geen bete broods werd in het zout gestipt, Met zout gewreven rauw de wonden blonken.
Wees vroolijk, want wat baat het dat gij treurt
Wees vrolijk, want wat baat het dat gij treurt. Pluk snel uw oogenblik als ’t open geurt. Wees blij, dat hemels gunst niet eeuwig duurt, Want anders kwam er nooit voor u een beurt.
Hij zelf trad gistren in dees aardsche kroeg
Hij zelf trad gistren in dees aardsche kroeg, Hij, de vervuller van wat ieder vroeg. Hij sprak den beker langend: drink! ‘k zei: neen! Drink! Loech Hij, is mijn liefde niet genoeg?
Wat baat de wereld ons vertrek of komen?
Wat baat de wereld ons vertrek of komen? Rest iets van wijsheids roem, of lof van vromen? Wat blijft er staan van ’t steil gebergt der hoop? Stof, stof, slechts stof – stof uit stof voortgekomen.
Bestendig blijf in wisselvalligheid
Bestendig blijf in wisselvalligheid. Wees niet bedrukt voor ’t vlieden van den tijd. In een paar dagen slijt ziels kleed tot lompen. Wat geeft ’t, of gij werkt, vecht, bezoedeld zijt?
Die, wars van ’t goede, leeft van slechte streken
Die, wars van ’t goede, leeft van slechte streken, Zich achter Gods gena driest durft versteken, Hoop niet te zeker op zijn gunst, Hij zal Nooit met één maat zondaars en zuivren reeknen.