Hij laat den wind maar waaien door zijn haren. Blootshoofds zit hij op ’t steigerende paard. Hij lacht gelukkig; zijn onrustige aard Houdt van vermetelheden en gevaren Hij is één met zijn ros; en ’t zal bedaren Als hij den
Tag: gedicht aanwezig
De lezende jongen
Hij houdt van boeken over Indianen. En zelf is hij zoo teeder van gemoed, Dat hij geen kwaad denkt en geen onrecht doet. Toch leest hij graag van strijd en bloed en tranen. ’t Paard kniegeklemd, of hangend aan de
De zieke jongen
Zijn oogen waren als ’t verschoten blauw Van zijde, die lang in een lade lag. Ze werden gróóter, als hij naar de nauw Bedwongen droefheid van zijn moeder zag Hij speurde een zweem van weemoed en beklag. ’t Was, of
Tireur de l’épine
Gereed het ná geluk te mijnen,De grage hand ten greep gestrekt,Voelde ik ten hiel een vlijmen, schrijnen,Dat krampend door mijn spieren trekt. O, bij het haastig voorwaarts kruipen,Wist ik het vurige venijndes doorns mijn teedre pees doorsluipen…Ik greep – maar
De toorts
Gij, die den toorts ontstoken,Beschiktet weer en wind,Zoodat zijn vlam, ontloken,Zijn ijlste tijging wint, Wil, zonder walmend flakkren,Den gloed van blozend goudTot klààrder schijnsel wakkren,En schutten ’t schamel hout. Doch blaast de tocht der zondeVenijnig naar zijn buit,Blusch ’t roetend
I Zijn schoonheid had haar rijksten bloei bereikt
(Fragmenten) I Zijn schoonheid had haar rijksten bloei bereikt. Nog éénen dag, de schuchterheid der jeugd Zou groeien tot den donkren durf des mans, En hunkrend gloeien door zijn straffer leên, Maar nog niet: bevende was daar een glans, Nu
II Toen, grauwe bliksem, schoot Zeus’ vogel neer
(Fragmenten) II
III Hij was der goden Schenker, en hij ging
(Fragmenten) III Hij was der goden schenker, en hij ging Gelukkig langs hun schitterend gelag. En ’t was, alsof een witte bloeseming Van eigen jeugd voorbij hun oogen dreef, Wanneer hij luchtig, blijde en bedeesd, Voorbij de branding hunner blikken
IV De aloverweldiger zat op zijn troon
De aloverweldiger zat op zijn troon Te peinzen en hij regelde het lot Der aardbewoners niet naar wet en recht, Maar naar uit slaap geschrikte willekeur. En dag op dag, terwijl de vette walm Der offers aansloeg aan zijn hooge
Dialogue mystique
Komt ge zoo laat tot mij? de dauw Der nacht dampt uit uw donkre kleren. Wilt ge den jammer van dit uur vermeêren, Dat bitter is van wroeging en berouw? Ik ben om u den woesten weg gegaan, Door wildernis