De woestenij is geel als tijgeroogen, Brandend en trillend, of de vlammen plots Uit zullen laaien, en de winden Gods Doen vreeselijk haar droge koorts verhoogen. De kleine oase ligt, een blauwe droom, Koel in den heeten onrust van haar
Tag: gedicht aanwezig
Monsieur le marquis
Hij ligt des morgens lang in ’t weeke bed, Krank van melancholie en vage pijnen. Het daglicht moet gedempt naar binnen schijnen. De luiken zijn ten smallen kier gezet. Zacht neuriet hij een hoofsche menuet En voelt genietend na dans’lichte
De gravin
Zij zat voor ’t hooge venster naast haar gade. Hun pages speelden op ’t beschaduwd plein En schoten door de stralen der fontein En in de boomen rond de esplanade. Eén hief lachend ’t gelaat ter kemenade En bloosde, toen
De soldaat
Bloed kampt met bloed en geest strijdt tegen geest. De handen kunnen slechts hun werk volbrengen. Wiens voelen schroeit, wiens denken kan verzengen, Viert nu of straks ’t bewimpeld zegefeest. Alles moet opgeofferd, ’t liefst bezit Wordt weggerukt en zinneloos
De jonge zeeman I
Elk volgt de fluisteringen van zijn bloed. Uw oogen zien de blauwe paradijzen Der ziel zoo heerlijk in de lucht verrijzen Dat gij den weg daarheen wel volgen moet. Dáárom deint ’t ruischen van de zee zoo zoet Uw hart
De jonge zeeman II
Hij kent de zee en haar vervaarlijk stroomen, ’t Zwermen der sterke sterren door de lucht, En is zeer voor de zilvren maan beducht, Wier stille macht de vloeden hoog doet komen In de eindeloosheid zijner heldre droomen Is heel
De sneeuw
Het wonder zien de zuiveren van oogen. Het is rondom hen, en zij schrikken niet, Zij weten, ’t is alleen voor hen geschied. Zij zien het, en zij zullen ’t tasten mogen. Zoo, nu de heele wereld welig stil Onder
Het vlokje haar
Het is zoo weinig, een niets te beduien Wolkje van zijig gouden haar. Lachend genomen, maar het schreien Er over, eenzaam, valt zoo zwaar. Over een kleine doode luien Trage klokken verbijsterend naar. Handen en blinde oogen beien Streelen een
Als een jongen groot wordt
Het leven lokt uit honderdduizend oogen, Er is een huivrig streelen in den wind. Met iedren diepen ademtocht verzwindt De kracht, of zoet vergif werd ingezogen. Zijn pols jaagt heet en stokt …. het fel bewogen Bloed, dat zijn gutsende
De boerenjongen
Hoe zou zijn wezen anders kunnen zijn? Dit land was eeuwenlang in zijn geslacht. Zijns is hun moeite en heerlijkheid en macht, ’t Gewend gebieden en gehoorzaamd zijn. Hij is zich de arbeid van den grond bewust. Zijn bloed ruischt