De vader

Wij bleven tòch niet bij elkander. Dat hij gegaan is, smart mij niet. De tijd komt toth, dat de een den ander Verlaat, en niet meer ziet. Maar dat hij niet een wijl’ kòn wachten. (Reeds boog de ouderdom mij

De zoon

Kon ik nog eenmaal, vader, wederkeeren Ten koelen vrede van uw noodend huis, Kon ik nog eenmaal, als de zoon huns heeren, Vorstelijk schrijden door het noest gedruisch Der slaven, die, gezwind, uit schuur en stallen Luidruchtig, aan den zwaren

Narkissos

(Fragment) … Op fond van donker hemelblauw, Zag, heel den dag, gebogen aan de beek, Ik ’t huiverende en heimelijke schoon Mijns aangezichts, der leden kloeken bouw, De gansche onverhulde heerlijkheid Des lichaams, ademdeinend, greep-nabij. Heerlijk ontloken bloem van mijn