Als een vlaag van uw genade Niet mijn arme hart doorbeefde, Hoé zou ik dit leven dragen? Ik verwenschte, dàt ik leefde. Want, een speeltuig, opgehangen Voor al ’t wereldsche rumoeren Voel ik iedren kreet verlangen Door mijn teedre snaren
Tag: gedicht aanwezig
De vader
Wij bleven tòch niet bij elkander. Dat hij gegaan is, smart mij niet. De tijd komt toth, dat de een den ander Verlaat, en niet meer ziet. Maar dat hij niet een wijl’ kòn wachten. (Reeds boog de ouderdom mij
De zoon
Kon ik nog eenmaal, vader, wederkeeren Ten koelen vrede van uw noodend huis, Kon ik nog eenmaal, als de zoon huns heeren, Vorstelijk schrijden door het noest gedruisch Der slaven, die, gezwind, uit schuur en stallen Luidruchtig, aan den zwaren
De doopeling
Hij kwam te midden van Gods’ dienerschaar, Die hem vol statie over ’t koor geleidde Simpele blankheid tegen helle zijde Van purpren tabbaard en brocaat tlaar. En ieder zag hoe hij terneder klom…. Even zijn voeten in het water plasten.
De antichrist
Hij ging in pracht van purperen gewaden, Zijn oogen waren mild en schoon en week. En voor ‘hem uit liep door de gansche streek Een roepen van zijn goedheid en genade. Zijn glimlach glansde blijder dan het goud Dat gloeide
Narkissos
(Fragment) Op fond van donker hemelblauw, Zag, heel den dag, gebogen aan de beek, Ik ’t huiverende en heimelijke schoon Mijns aangezichts, der leden kloeken bouw, De gansche onverhulde heerlijkheid Des lichaams, ademdeinend, greep-nabij. Heerlijk ontloken bloem van mijn
De genezende
Hij voelt zich in den zomer als een vreemde, Omdat hij niet het groen ontluiken zag. Hij wijkt schuw voor der kindren schelle lach En mint gedempt geluiden in den schemer. En op de paden, waar geen schaûwen zijn, Wankelt
Heiligen I
I Zij had al ’t aardsche van zich weggedaan, En waande zich in hemels bloemenwei. Daar dansten engelen hun lichten rei, En zij mocht zingend in hun midden staan. ‘Kies nu uw bruidegoom !’ Zij zag hen aan; Alle gezichten
Heiligen II
II Mijn weeke deernis maakt uw zuivre wonden En hun verscheurde pijn niet minder wreed. Ik wiesch ze in ’t lauwe bad van mijne zonden, Zij gloeien koortsgezwollen rood en heet. Wee mij! ik heb uw witte rust geschonden. Uw
Extatische nonnen
Is dit geen wonder, hoe die teêre nonnen, Die van Gods liefde gansch bevangen waren, In brandende uren met bont zijden garen Hun smart borduurden, fel en onbezonnen? Bleek en ontzenuwd van extaze, wonnen Zij kracht, en voelden weer, in