Auteur: Helma
De zwemmer
Voor Dick Hij zag mijn stijgende bewondring wel Toen, wiegelende, hij naar t water schreed, En blank en onverhoeds daarin vergleed: Wolkonderschept verblindend zonnespel. Even een stilte dan een ruischen snel Verscheen zijn lachend hoofd; een glinstrend kleed, Viel t
Het lijdt niet lang meer…
Het lijdt niet lang meer, als ik dood zal zijn Verkwijnt aan mij de vage herinnering In ’t stille en afgesloten kamerken Der jonge hoofden, die ik heb bemind. En als een zware dof plompende steen Verzinkt mijn liefde
De bekoring (Middeleeuwsch)
Daags lag hij voor het zonwarm raam te droomen En ’s avonds staarde hij in ’t vlammend vuur, Of zag de schaduws dansen op den muur, Een duivelsche verschrikking voor de vromen. En door zijn bloed ging de bekoring heen,
De orgelspeler
Hij kent nog niet de harde tucht, Die ook de zuivre ziel moet stalen. Zijn vingers dwarrelen en dwalen De toetsen over, en hij zucht. Snel is de schuchtre ziel gevlucht Achter den galm van kerkkoralen. Dan stampt hij driftig
Nabetrachting
De stuggen hebt Gij mild gemaakt. Maar o, de lieflijkheid der zachten! Die is zoo zuiver als de vachten Van lamren door de zon geblaakt. De schuwen werden niet verschrikt. En die als bloemen naar U smachten, Hebt Gij, als
Heilig Avondmaal
Zij aten allen het gezegend brood, Dronken ontroerd den zwaarbewaasden beker. Hun oogen weenden en hun hart sloeg weeker En stroomde vol van ’s Heeren bittrend dood. Zij zagen zijn gestrekten stillen nood En ieder voelde zich ontzet, maar zeker,
Voorbereiding
Hun harten voelden zij als boeken In Gods geduchte hand gelegd, En wisten, dat Hij al hun slecht Gedrag gerecht zou onderzoeken. Zij lazen bang en hunkrend mee, En zagen wat zijn vingers wezen. Was er niets goeds? hun schaamte
Belijdenis
Zij keken niet, maar wisten ’t van elkaar… Toen huifde een ijl verdooven om hen henen, En ieder zat alleen met stil misbaar De zonden zijner jonkheid te beweenen. En heel de wonderlijke morgen ging Zonder dat hunne zielen zich
Berouw
In de schemer het angstige luistren Naar de wind, die waait om de huizen. Van de wilgen stuiven de pluizen, Wit in de regen van ’t duister. Ver weg het bedwelmend bruisen Van de zee: haar vage geluiden Eentonig, versmelt