De zwemmer

Voor Dick Hij zag mijn stijgende bewondring wel Toen, wiegelende, hij naar ‘t water schreed, En blank en onverhoeds daarin vergleed: Wolkonderschept verblindend zonnespel. Even een stilte… dan een ruischen… snel Verscheen zijn lachend hoofd; een glinstrend kleed, Viel ‘t

Belijdenis

Zij keken niet, maar wisten ’t van elkaar… Toen huifde een ijl verdooven om hen henen, En ieder zat alleen met stil misbaar De zonden zijner jonkheid te beweenen. En heel de wonderlijke morgen ging Zonder dat hunne zielen zich

Berouw

In de schemer het angstige luistren Naar de wind, die waait om de huizen. Van de wilgen stuiven de pluizen, Wit in de regen van ’t duister. Ver weg het bedwelmend bruisen Van de zee: haar vage geluiden Eentonig, versmelt