Hij stond wreed voor den rechterstoel gebonden, En zij verweten mij zijn vriend te zijn En lasterden, wat heilig is en rein, Als laagheid en afschuwelijke zonden. ‘k Zag, hoe zij Hem bespotten en verwondden. Hij leed geduldig smaad en
Auteur: Helma
Bij het kruis
Dwaasheid, ergernis, kracht Gods” PAULUS Ik heb op Golgotha gestaan En zag ’t gelaat van Jezus aan, Dien men als een ellendeling Aan ’t kruishout hing. Daar rees zijn lichaam angstig bloot, Zijn oogen duistrend naar den dood, Handen en
Kerstliedje
Kind, komt Gij ditmaal in ons hart Om alle duisternis en smart En alle zonde en plagen Op eenmaal te verjagen? Ach Heer, wij zijn zoo boos gezind. Wij hebben ’t kwaad alleen bemind. En uwe ster wil schijnen Alleenlijk
Kerstliedje
Wij vieren uw geboortefeest Met blijdschap, maar onze arme geest Ziet daar met schrik, en niet te bannen, Uw kruis zich aan den hemel spannen. Ach ’t eerste en ’t laatste, dat Gij kent, Is koude en jammerlijke ellend. Uw
Kermesse d’été
Een dag van dwaasheid; waren wij niet jong? De kermis belde ’t rasse bloed ten dans. Fel als een vaardig weggeworpen lans, Kaatste de voet den vloer en veerde en sprong. De liefde lokte en de liefde dong. Oogen duizelden
October
October met uw donkerblauwe dagen, Uw koesterende warmte en koelend licht. t Hart kan uw heerlijkheid haast niet dragen. Gij zijt té schoon voor ons verweend gezicht. O, tranen kunnen onze ziel niet zuivren, Zij maken ons ellendig en zo
Wake
Laat anderen den nacht maar vieren En schaatren met vervaard gezicht. Geef mij het stom geduld van dieren, Dat stil en trouw te wachten ligt. De morgen zal ’t geluk wel brengen. Lang schalt het kraaien van den haan. De
In het voorjaar
De boom: God, gaat Uw snoeimes weder hakken, Nu ’t sap al driftig in mij stijgt? Heb ik dan zooveel wilde takken, Wier weeldrigheid mijn vrucht bedreigt? Hoe wordt mijn schoone kroon geschonden! Wreed kerft Gij door mijn zachte schil!
Ziekte-verzen I-VI
I ‘God! Wees dit krank en weerloos hart genadig! II Voor Pater Jos. Van Wely O.P. Ik wist niet meer van leven en van dood III-1 Hij zat gemaklijk op den rand van ’t bed, En sprak van school en
De eerste jacht
De blanke buks beeft in zijn handen. Zijn vingers trillen aan den haan. Honderd maal loert hij in de laan, Zoo hunkert hij om los te branden. De mannen, koel bereeknend, staan Rustig achter de loovren wanden. Hij voelt hun