De laatste wagen is van ’t land gewankeld Het jonge volk zat lachend boven op, Oogen en haar van late zon doorsprankeld. Schuddend en schokkend ging ’t het hoog heem op. Wij mochten samen weer den akker bouwen: Gij, Heer
Auteur: Helma
Hoogtijden – VI Biddag
Wij hebben weer den harden grond geploegd, De kluiten mul gemaakt en ’t zaad gestrooid. Wij hebben naar Uw wil zweetend gezwoegd. Geef ons Uw zegen, of ons loon komt nooit. Gij moet den regen zoetjes nederplengen. De gulle wind
Hoogtijden – V Pinksteren
Nu vaart Uw Geest de wereld door, En blaast ons hart tot feller leven. Wij willen alles om U geven, En niets van alles gaat teloor. Gij deelt Uw gaven mildlijk uit, Wij reiken gul aan andren over. En die
Hoogtijden – IV Hemelvaart
Zij vroegen, waarom ik naar boven tuur, Daar ‘k U, een stipje, zag verdwijnen, Ik dacht, Gij zoudt de wolk doorschijnen, Als een fel vuur. En toen hun stille licht beneden kwam, Heeft ’t langs mijn oogen niet geblonken. Ik
Hoogtijden – III Paaschmorgen
Ik ben met U verrezen, En ken geen leed of rouw. Doods nevelende vreezen Verdampte als morgendauw. Met U was ijzen kilte, Die zwaar lastte op ’t gemoed, En zijn gestolde stilte Nog zuiverend en goed. Mijn deel aan Uw
Hoogtijden – II Goede Vrijdag
Gij waart van God verlaten, Toen ’t donker over de aarde lag ? Maar wat kan mij dat baten: Ik sta verlaten in den dag. Langs heel de bloeiende aarde, Is van Zijn voet geen enkel spoor. Vergeefs speur ik
Hoogtijden – I Kerstnacht
Wij weten wel, dat Gij geboren zijt, En hulploos in een kribbe ligt en schreit; En toch, wij gaan met aarzelende voeten, U te begroeten. Wij schrokken huivrend op: dit is Uw nacht! Ons luchtig hart had niet op U