Een krank en schamel hout, Het minste van het woud, Door iedren wind geslingerd, Reikte ik mijn ranken uit, Weerstaan, maar nooit gestuit, Een dorre wilde wingerd. Geen mensch die naar mij zag. Al waar ik kroop of lag, Mijn
Auteur: Helma
De lischdodde
In stemmig bruin gekleed Sta ik recht tusschen ’t breed Gedruisch der harde bladren. Zij zwatelen in ’t licht Dat ik met stil gezicht Mijn duister hart voel nadren. Al schijn ik streng en strak, Onstuimig bonst, of ’t brak,
De dahlia
Ge onthield mij zeem en zoeten geur. Dat ik niet zou verbittren, Gaaft Gij mij velerhande kleur: ‘k Mag schittren. De bleeke en diepe gouden pracht Waarin de herfst kan bloeien, Staat dagenlang in mijne macht: ‘k Mag gloeien. O
De distel
Van top tot teen één wapen Staat hij in strengen dos. En trots versiert zijn slapen De roode vederbos. Hij wordt van elk gemeden En weert een ieder af. Hij strekt zijn straffe leden Naar Die hem ’t leven gaf.
Het claustrum
Voor Pater Jos. van Wely O.P. Grof onweer dreunde door den kloosterhof, Er zonk een lauwe dommelige regen Het dorstig geuren van de bloemen tegen, ’t Bont mozaïek vergrijsde klam en dof. Toen woei welluidend langs de ruime gang Tot
De getuige
Gij zijt het licht, laat mij de luchter zijn, De stille glorie van Uw vlam te dragen. De donkre schaduw van Uw welbehagen Omhul mij, anderen verblijde Uw schijn. Ik zij de flesch, wees Gij de gouden wijn. Schuim uit
Het pleidooi
Heer, ‘k waag niet tot Uw hart te gaan, En ik durf niet van verre staan. Ik wil mij wringen aan Uw voet, Tot Gij mijn angsten enden doet. Helaas, waar is een rouw zóó groot, Dat ik ontkome van
Voor de poort
Wij riepen U tot aan den nacht. Doof bleef Uw oor voor bede en klacht. Wij ramde’ Uw deur met woeste hand, Maar ’t welgegrendeld hout hield stand. En mogen wij niet binnengaan, Wij blijven t’Uwer poorte staan. Waar zijn
De lente
Herr, erbarme du dich meiner, Dasz mein Herz neu bliihend wende, Mein erbarmte sich noch kelner Von den Fri hlingen der Erde. Brentano Er is een zoelheid in de lucht gekomen, Die ons verwonderd naar den hemel kijken doet. De
Aller ellendigen
Wil U over hen erbarmen, Die niet willen en niet weten, Breid Uw teed rste ontfarmen Over hen, die U vergeten. Uwe kindren, die U minnen, Zullen zeker alle dagen, Bij Uw zegen en Uw slagen Zich op uw gena