Ik hield mijn moe gezicht verborgen Tusschen uw wang en schouder; ‘morgen Mis ik uw zachtheid en uw moed, Uw koele mond, uw hart vol gloed.’ Toen, in een sterk en stil erbarmen, Sloten zich vast om mij uw armen.
Auteur: Helma
Kussen
Ik kus uw lippen en uw oogen, Ik kus uw haren en uw mond, Ik kus mij moede en gezond; Kussende ben ik rondgetogen. Gij glimlacht en gij wilt gedoogen Dat ik uw hand kus en uw voet. Ik eet
Verlangen
Zeus schiep zich om tot stier en zwaan En koningsadelaar, in fel Godlijk blind laaiend minnespel. Gij zijt als hemeling ontstaan. Gij zijt mijn engel, en beschermt Mij met en tegen uw natuur. Ik ben uw zuster en gebuur, Ik
Een-zijn
Zijn wil heeft over mij gestormd. Dit waardelooze klompje klei, Hij kneedde ’t naar zijn makelij, En heeft mij tot een mensch gevormd. Is het dan wonder dat ik denk AIs en in dit kort seizoen, – Ach minder schoon
Het verbond
Deze mildheid, dit bewogen wezen en toch zoo gerust. Dat de deernis uwer oogen Alle opstandigheid en lust Van mijn hart heeft uitgewezen. Deze onwrikbaar ware mond, Die geen aarzeling of vreezen Kent, heeft ziels en bloeds verbond Uitgesproken en
De ring
Gij gaaft den gladden gouden ring Met den zeskantigen diamant. Dit is de regenbogenbrand Gebonden in wit licht; ‘k ontving ’t Symbool van hemels heiliging, Die aardsch beminnen witter maakt Dan sneeuw, hoe fel en rood zij blaakt. En ‘k
De adelaar
O wonder uit den ouden tijd! De adelaar, vorst van lucht en land, Werd duif, die zaad pikt uit de hand En in een kooi zijn dagen slijt. Maar aIs zijn lot mijn liefde ontroert, Bedekt mij plots zijn breede
De engel
Ik riep hem, en mijn engel kwam. Hij had op mijn geroep gewacht. Hij stond gereed, en hij volbracht ’t Bevel dat hij van God vernam: ‘Weer af, vaI aan, àl wat er schaadt En ’t zingen dezer ziel verwart.
Onweder
Het dondert, en Gods vuur slaat in. Nu is mijn hart voorgoed gezengd. Geen regen die verkwikking brengt Aan dit dor land, uw strenge min Heeft het verheffend gekastijd. Harts hoogland werd zoo dood en schoon Dat het alléén de
Liefdes regiment
Liefde verdrukt in eenzaamheid De zeer heldhaftigen van geest. De heiligsten bekoort zij ’t meest Door haar gekwetste majesteit. Hoogen en lagen altezaâm, Zij ondergraaft hun eer en huis. Zij nagelt naakt hen aan het kruis En maakt een scheldwoord