Zij zullen avondmalen, Vol vreemdheid nog en schroom, Met bruin brood en een schale Rimpelende room. Hij zegt, dat hij zal bidden, Als hij maar woorden vindt. Zij knikt naar het tafelmidden. Daar zit later hun kind. Hun handen, zware
Auteur: Helma
Winteravond
Ook nu het avond wordt, Heer blijven we op U hopen, Het winterdaglicht kort, Hoe traag de dagen kropen. Het water is zoo diep En donker, de lantaren Beschampt de oeroude baren, Waarin de wereld sliep. En als de smalle
Stilte
Mijn verlossingsjaar is gekomen. Jes. 63 : 4. Hoe anders komt Gij dan wij denken. Temidden ’t hoog rumoer van strijd Is ’t, of er plotseling een zenke Vol stilte en zon ons openleit. ’t Geschut krijscht over onze hoofden
Voorjaar
In wildernissen en plantsoenen Begint het lentelijk geluid Van nestelen, en de blazoenen Van alle bomen hangen uit. t Is groen met geluwe schakering In kruinen en vlak langs de grond. En in de tuin en langs de wering Pronkt
Spes unica
De winden zijn reeds opgestoken, De blaadren dwarlen heen en weer, Het doode hout wordt uitgebroken, De watervloeden storten neêr, ’t Is herfst, de dingen gaan versterven. Wij schuilen in een veilig huis, De storm tiert op verlaten erven En
De profeet
Gaat het ulieden niet aan, gij allen die overweg gaat? Klaagliederen 1 : 12a. Hij heeft mij aan den kruisweg opgesteld, En mij gemaakt tot een verschriklijk teeken. Hij krenkte mij; mijn spieren gaan verweeken En zwellen op; mijn leden
Credo
God, ik geloof in U, den schepper aller dingen, Die uit het niets èn aarde èn hemels kringen Geroepen hebt, en wat bestaat vervult En als een Vader onderhoudt en duldt. Gij hebt den mensch geschapen naar Uw beeld. Hij
Het kristal
Die angstig uit de wereld vluchtte, Te bidden voor haar diep verval, Steeg in de bergen, en hij duchtte God en bevond zich voor ’t kristal. Wie heeft een stralend licht gegrepen, ’t Naar strenge wetten geformeerd, En scherp gekant
Bedouinen
Wij hebben de woestijn verkozen; Ons schrikt van het beloofde land, Met tuinen vol gekweekte rozen En druiven langs den muur geplant. Hoe rustig ruischt ’t gezaaide koren, Hoe vredig loeit ’t gefokte vee; Wie hier ontvangen en geboren Werd,
Dogmatiek
Dit zijn de steenen, scherpgerand En rechtgehoekt, die blok naast blok Gestapeld zijn tot hecht de wand En hoog zich het gebouw voltrok, De leer, die afweert en beschut, De sterkte, waar geen voeg of naad Verwijd kan worden of