Stilte

Mijn verlossingsjaar is gekomen. Jes. 63 : 4. Hoe anders komt Gij dan wij denken. Temidden ’t hoog rumoer van strijd Is ’t, of er plotseling een zenke Vol stilte en zon ons openleit. ’t Geschut krijscht over onze hoofden

Voorjaar

In wildernissen en plantsoenen Begint het lentelijk geluid Van nestelen, en de blazoenen Van alle bomen hangen uit. ’t Is groen met geluwe schakering In kruinen en vlak langs de grond. En in de tuin en langs de wering Pronkt

Spes unica

De winden zijn reeds opgestoken, De blaadren dwarlen heen en weer, Het doode hout wordt uitgebroken, De watervloeden storten neêr, ’t Is herfst, de dingen gaan versterven. Wij schuilen in een veilig huis, De storm tiert op verlaten erven En

De profeet

Gaat het ulieden niet aan, gij allen die overweg gaat? Klaagliederen 1 : 12a. Hij heeft mij aan den kruisweg opgesteld, En mij gemaakt tot een verschriklijk teeken. Hij krenkte mij; mijn spieren gaan verweeken En zwellen op; mijn leden

Credo

God, ik geloof in U, den schepper aller dingen, Die uit het niets èn aarde èn hemels kringen Geroepen hebt, en wat bestaat vervult En als een Vader onderhoudt en duldt. Gij hebt den mensch geschapen naar Uw beeld. Hij

Het kristal

Die angstig uit de wereld vluchtte, Te bidden voor haar diep verval, Steeg in de bergen, en hij duchtte God en bevond zich voor ’t kristal. Wie heeft een stralend licht gegrepen, ’t Naar strenge wetten geformeerd, En scherp gekant

Bedouinen

Wij hebben de woestijn verkozen; Ons schrikt van het beloofde land, Met tuinen vol gekweekte rozen En druiven langs den muur geplant. Hoe rustig ruischt ’t gezaaide koren, Hoe vredig loeit ’t gefokte vee; Wie hier ontvangen en geboren Werd,

Dogmatiek

Dit zijn de steenen, scherpgerand En rechtgehoekt, die blok naast blok Gestapeld zijn tot hecht de wand En hoog zich het gebouw voltrok, De leer, die afweert en beschut, De sterkte, waar geen voeg of naad Verwijd kan worden of