I De tulpen en de hyacinten Ontvlieden brandend en ontdaan Dit kommervolle aardsch bestaan In visioen van geur en tinten, En ons verheugt hun schoon vergaan. Maar wij beweenen de beminden, Die Gods zoekende handen vinden En bloeiend in Zijn
Auteur: Helma
Gebedje
Och Heere, kan ’t Uw wille Wezen, laat ons stille Voor U zijn. Misschien zou de pijn Die in ons als wijn Woelt, dan stille zijn. Och, even, Aan onszelf ontheven, Och, even Zich in U te begeven.
Lied
O Heer, Gij hebt gezegd, Ik huis niet met een knecht, Bij vrije zonen Wil ik wonen. Gij hebt ons lang gezocht En kostbaar vrij-gekocht. Leven om leven Dorst Gij geven. Meester van ons gemoed, O Broeder van ons bloed,
Overvaart
Ex. 33:2a. Gij langs den weg, ik over ’t pad Door korenland en weiden, Wij lieten naar dezelfde stad Ons door één dringen leiden. Nu staan wij samen aan het veer, Een vreemde naast een vreemde, Bezien elkaâr, slaan de
Leerstellig
Laat ons dezen nieuwen dag U ter liefde nieuw beginnen. Geef ons door Uw Geest gezag Om de dieren en de dingen Te regeeren naar Uw wil. Want als Uwe fluisteringen Ons doorvloeien zijn zij stil. Alles gaafs Ge in
Allerzielen
Ons levenden, o Heer, gedenk, Dat niet de vijand moorde of krenk’ Het weerloos lijf, de zielen, Van hen die voor U knielen. O Heer, met onvrede en met rust, Met lichaamspijn en lichaamslust, Met lachen en met snikken Tracht
Pinksteren III
Wij denken niet meer om een lied, En kunnen nauw’lijks kracht verzaam’len Om wat te momp’len of te staam’len. Wij hadden, Heer, te veel verdriet. Wij zijn als het verregend riet, Het kan wel knapperen en knett’ren, Maar nooit zal
Pinksteren II
Wij smeeken: met Uw Geestes gloed Verteer ons als een offerande. O, dit is onze diepe schande Dat wij zoo koud zijn van gemoed. Als een versiersel op ons hoofd Willen we uw stille vlam wel dulden, O God, vergeef
Pinksteren I
Ze wisten niet, dat God kan bloeien Uit mannen zoo verweerd en grauw, En dat zijn Geest een vale vrouw Gelijk een versche roos doet gloeien; Dat stemmen, heesch van weer en wind En schettrend op de vingers gillen, zóó
Consummatum est!
(Het is volbracht) Er werd geen woord gesproken. Wij zaten bang verdoken Als vogelen in t nest En plotsling dreunde t: Consummatum est! De hemelen bezweken, De wereld was ontweken Aan ons bestaan er rest Niets dan Uw doodskreet: Consummatum