Dit is een hemelsch droomgezicht. Een blinde neveling van licht Heeft zich tot witte zon verdicht En wentelt langs ons heen. En onze ziel wordt als de dwaal Ten feestdisch na het avondmaal Onder de kaarsen in de zaal, Zoo
Auteur: Helma
De doornstruik
Nader niet een tak te breken, Alzijds weer ik mij met steken. Nimmer sta ik tot een staf Wortelhout of kroonscheut af. jong, hebzuchtig dwaze mannen, Hebt gij me uit uw veld verbannen. Waar het geerend raakt den sloot, Was
De cactus
Hij werd vertroeteld en ontzien, de grijze, Wiens scherpte men, waardeerend, liefst ontweek. Hij scheen een lompe ronde zonnewijzer Die naar het wanellen van zijn schaduw keek. Onmerkbaar was zijn leven en zijn groeien. jongens en meisjes werden naast hem
De eschdoorn
Hij heeft zijn plaats genomen Terzijde van den gaard, Waar alle winden hem doorstroomen En alle zonlicht hem bezwaart. Zoo, in dit grimmig streelen, Onder dien warmen last, Houdt hij met wortelen en stelen Rustig aan aarde en hemel vast.
Het geluk
Misschien is er in ieder leven, Na lang verdriet en hard gericht, Toch nog een klein geluk gebleven Bloemen en wolken en een licht. Glanzende komt het tot ons zweven, Blijft talmend aan den hemel staan, Zoodat het hart wordt
Hoogzomer
De slaap ontwijkt in deze lichte tijden. De schemering verdiept tot donkerblauw, En vóór dit zwart wordt, komt het morgengrauw Reeds als een rook de hemel overglijden. Klopt t bloed zo zwaar door onze ontruste rust? Zijn het de maaiers
Strijdbare jeugd IV
Wij zweren dat we Uw vendel zijn, Geschaard om de gewijde vanen, Wier purperen en blanke banen Weerlichten in de zonneschijn. En wij gedenken: rood is wijn, Uw bloed, uw dood; blank zijn de tranen, Blank stijgt de melk in
Strijdbare jeugd III
Houd onze hand omklemmend vast, En duld ons aarzelen en wikken, De tranen en de schuwe snikken. Gij weet dat liefde langzaam wast. Wij voelen hoe Uw glimlacht tast Warm door den nevel onzer blikken. En eer wij haar iets
Strijdbare jeugd II
’t Valt licht den vijand te braveeren, Die tartend tegenover staat, Maar bitter is ’t zijn heetste haat Tegen het eigen hart te keeren. ’t Liefste te schuwen en afweeren, Het kostlijkst weigeren als kwaad, Stil van gemoed en sterk
Strijdbare jeugd I
Den tyrannieken wil van ’t bloed Volvoeren vaardig mond en oogen. En koen, als ongekerstend, togen Tot euveldaden hand en voet. Lustige jeugd, rebelle moed, Door niets versaagd en ongebogen, Veel lijden moet ons hart gedogen Eer het Gods werken