De cactus

Hij werd vertroeteld en ontzien, de grijze, Wiens scherpte men, waardeerend, liefst ontweek. Hij scheen een lompe ronde zonnewijzer Die naar het wanellen van zijn schaduw keek. Onmerkbaar was zijn leven en zijn groeien. jongens en meisjes werden naast hem

Het geluk

Misschien is er in ieder leven, Na lang verdriet en hard gericht, Toch nog een klein geluk gebleven Bloemen en wolken en een licht. Glanzende komt het tot ons zweven, Blijft talmend aan den hemel staan, Zoodat het hart wordt

Hoogzomer

De slaap ontwijkt in deze lichte tijden. De schemering verdiept tot donkerblauw, En vóór dit zwart wordt, komt het morgengrauw Reeds als een rook de hemel overglijden. Klopt ’t bloed zo zwaar door onze ontruste rust? Zijn het de maaiers