In droogte

Die zondes brand bestrijdt met vuur En menschenharten en natuur, Wat leeft van U gescheiden, Wilt zaligen door lijden, Och Heer, wordt ook door regen mild ’t Uitslaande vlammen niet gestild? En kan Uw stroom van boven Niet ’t gluipend

Avondlied

Het duistert, nog wat goudgeglim Van zon smeult op de lage kim. Och, droeg ons schamel aangezicht Uw weerglans, nimmer dalend Licht. Dan deed het donker ons geen nood, Want, ingehuld in nacht en dood, Lag heel ons leven overspreid

Morgenlied

De duiven kirren, en het kraaien Der hanen groet den dageraad. De morgen komt ons bloed doorwaaien, Waardoor ons wezen opengaat. Wat in den slaap was weggegleden, Zoodat de ziel naakt stond voor God, Het komt terug, en onze leden

Het sein

Niemand hoeft meer in ’t donker gaan, Wijl overal Uw lampen staan. Een hart, door U ontstoken, zal Naar Uw bevel zeer helder vlammen, In stegen, aan het eind van dammen, En voor paleizen in verval. Wanneer de schaduwen de