Ik kan den last niet langer dragen En snik, wat ik te zwijgen zocht Ik heb, gij hoeft niet langer vragen, Den Heer verraden en verkocht. Men bood, ik eischte, en mijn handen Grepen begeerig naar het geld, En klinkend
Auteur: Helma
In droogte
Die zondes brand bestrijdt met vuur En menschenharten en natuur, Wat leeft van U gescheiden, Wilt zaligen door lijden, Och Heer, wordt ook door regen mild ’t Uitslaande vlammen niet gestild? En kan Uw stroom van boven Niet ’t gluipend
Sluimerliedje
Pleegt gij nog onverdroten De zoete jokkernij Slaap lokken en verstooien? En blijft gij waaksch en blij? Zal dit gestadig kwellen Van levens last en lust U tot den droom verzeilen? Nog lachen door uw rust? De nacht komt neergestreken
Avondlied
Het duistert, nog wat goudgeglim Van zon smeult op de lage kim. Och, droeg ons schamel aangezicht Uw weerglans, nimmer dalend Licht. Dan deed het donker ons geen nood, Want, ingehuld in nacht en dood, Lag heel ons leven overspreid
Morgenlied
De duiven kirren, en het kraaien Der hanen groet den dageraad. De morgen komt ons bloed doorwaaien, Waardoor ons wezen opengaat. Wat in den slaap was weggegleden, Zoodat de ziel naakt stond voor God, Het komt terug, en onze leden
Amas me?
Ik kloeg: o God, die pijn En dat benauwen, en Dat U niet schouwen, en Van al verlaten zijn En zacht was ’t dat Hij zei Gij, die zoo klaagt tot Mij Eentonig als de zee Amas Me? oHeer, wel
Die gelooft zal leven
Die gelooft zal leven, Maar wie heeft geloof? Hoeveel koren is gebleven In een gedorschte schoof? Op den vloer van ’t leven Liggen wij als vuil stroo. God moge ons vergeven…. Maar neemt Hij ons zoo? Misschien blaast de wind
De bekeering
Hij zoekt U (en ’t is Uw bestieren) Die onverschillig U verliet, Over Uw voetspoor traden vele dieren. Hij vraagt Uw gids, maar die verraadt U niet. Dan komt een nacht, dat Uwe rozen Geuren tot aan zijn legersteê. En
Het sein
Niemand hoeft meer in ’t donker gaan, Wijl overal Uw lampen staan. Een hart, door U ontstoken, zal Naar Uw bevel zeer helder vlammen, In stegen, aan het eind van dammen, En voor paleizen in verval. Wanneer de schaduwen de