In allen nood en bitterheid Zijt Gij nabij geweest. Nu ben ik tot de erkentenis bereid: U min ik ’t meest O, daarom liet Gij mij alleen? Wat is dit wrang en zoet: Te staamlen, stug nog, door zijn tranen
Auteur: Helma
Miserere mei
’t Is beê, en boetedag. Verloornen en gewonden, Richten hun stil geklag Tot U; vergeef mijn zondeni O Heer, aanzie dit hart, Dat trotsch is en verslagen. ’t Heeft uwen toorn getart En kan uw toorn niet dragen. Gij weet,
Drie koningen
Hij, met zijn fonkelende oogen In ’t bruine perkament gelaat, Buigt ’t hoofd en houdt de knie gebogen En kust de voet van ’t Kind dat staat En stort de schatting zijner landen: Het toornig roode goud, ter aard, En
Kerstliedje
De deuren waren dichtgedaan; De ramen bleekten bloembesterd ; De sneeuw blauwde onder blanke maan Toen ons de Heer geboren werd. Donkre spelonk was haar gegund, Waar zij van haren zoon genas. Onder den adem van het rund Bloeide ze
De blinde vogel
Zij zeiden: blind zijn oogen En kort zijn vleugels in, Opdat hij zingen moge Tot ons gewin. Hij zal de lucht niet schouwen En in een oogenblik Zwenken naar Gods landouwen Met zaalgen snik. Zijn blijdschap en bedroeven Zal levenslang
Te vroeg bloeiende perzik
Het voorjaar kwam zóó vroeg Met zon en luwe winden, Dat ik in een verblinde Verrukking bloemen droeg. Ik kon den vasten tijd, Door U besteld, niet wachten. ’t Hunkren van mijn gedachten Werd teedre werklijkheid. O, de eerste morgen,
Martinitoren
Rondom zijn voet een rosse schijn, Waardoor de regendruppels stoven En zwaar en traag daarboven Het zwart geheim Der stijging in de donkerten verloren Tot waar, een vuren knop, De lichte top Dreef op de hooge duisternis. – Ontzaglijk in