Judas

Rood glom de toorts op ’t harnas der soldaten. De schaûw bewoog onrustig in den hof. De jongren scholen onder ’t donker lof. Maar Jezus wachtte rustig en gelaten. Het galmend praten daalde tot een dof Gemompel, want zij zagen

Palmzondag

Wat zou ik graag de palmen zwaaien, Nu Gij uw hoofdstad binnenrijdt, Den weg met voorjaarsbloei bezaaien, Mijn mantel spreiden als tapijt. Wat zou ik graag de kindren hoorent De meisjes arm aan arm gereid, De hooge schelle jongenskoren, Vol

Sint Franciscus

Hij had de heele schepping lief: Bloemen, Gods onbezorgde kladren, Die vriendlijk troosten, niemand hindren, Wie zijn verdriet ook tot hen hief: De violieren en margrieten, De breede weegbree, ’t hooge sprieten Van kattestaart en bloeiend gras, Der tulpen karmozijnen