Ruk af, ’t gewaad, De gouden plaat Des schelms, die durft Gods plaats bekleeden En, onder ’t mom van ’s Heeren heiligheid, Dus de onschuld van den Heiland lagen leidt, En durft Gods Zoon vertreden. Zij hebben God, Gespuwd, bespot,
Auteur: Helma
Judas
Rood glom de toorts op ’t harnas der soldaten. De schaûw bewoog onrustig in den hof. De jongren scholen onder ’t donker lof. Maar Jezus wachtte rustig en gelaten. Het galmend praten daalde tot een dof Gemompel, want zij zagen
Gethsemane
Zij gingen zóó zich in hun leed verdiepen, Dat zij, schoon op hun elleboog geleund Om Hem te zien, wel zeiden: hoe Hij kreunt, Maar dan stil schreiden, snikten en weer sliepen. Hij bad tot God, Wiens grimmigheid Hem trof.
Stille week
Hoe hebt Gij dag aan dag geleden En zijt in onze plaats gegaan Den weg der ongerechtigheden, Om plotseling voor God te staan. Gij hebt geen wederstand geboden, Toen Hij U neerstiet met den voet. Lauw druppelde in de zwarte
Palmzondag
Wat zou ik graag de palmen zwaaien, Nu Gij uw hoofdstad binnenrijdt, Den weg met voorjaarsbloei bezaaien, Mijn mantel spreiden als tapijt. Wat zou ik graag de kindren hoorent De meisjes arm aan arm gereid, De hooge schelle jongenskoren, Vol
Sint Franciscus
Hij had de heele schepping lief: Bloemen, Gods onbezorgde kladren, Die vriendlijk troosten, niemand hindren, Wie zijn verdriet ook tot hen hief: De violieren en margrieten, De breede weegbree, ’t hooge sprieten Van kattestaart en bloeiend gras, Der tulpen karmozijnen
De zondares
O Heer, ik ken die zaalge zondares; Het was mijn ziel, die weenend voor U bukte, Die met haar liefde Uw minnend hart verrukte, Den nardus gietend uit albasten flesch. Ze ontwond in drift den slingerenden tres Der haren die
Sonnetten – III Het goede, Heer, wie is er goed dan Gij ?
Het goede, Heer, wie is er goed dan Gij? En wat is goed dan uw gerechtigheden? Die voor uw schatten niet ten bloede streden, Komen nooit los uit werelds slavernij. Een kettinglengte zijn haar slaven vrij, Om voor haar pronkend
Lees meer Sonnetten – III Het goede, Heer, wie is er goed dan Gij ?
Sonnetten – II Heer, wij zijn wars van zonde en moe van kwaad
Heer, wij zijn wars van zonde en moe van kwaad, En vluchten, maar hels snelle hazewinden Snuffen de lucht en weten ons te vinden Tot in uw huis dat noodend open staat. Zij springen op en lekken ons ’t gelaat
Lees meer Sonnetten – II Heer, wij zijn wars van zonde en moe van kwaad
Sonnetten – I Och Heer, Dien men met specerijen
Och Heer, Dien men met specerijen En olie dient, vol zoeten geur, Voor Wien men ’t licht in gloed en kleur Van brandend glas laat spelemeien. Wil Gij mijn woorden benedeien, En wil het wereldsche gebeur Van mijne daden tot