Wij zeiden: morgen zomerweder En beidden U, o Geest van vuur. Gij druppeldet als regen neder En laafdet harten en natuur. Door uw bestel is ’t zaad ontsproten, ’t Is opgewassen door uw kracht. Het is in bloeien uitgeschoten. De
Categorie: De Donkere Bloei
De moeder
Zij zit en wacht en staart in ’t vuur En ziet haar zoon al komen. Zij weet den dag en voelt het uur, En – heeft hem aangenomen. Nog is ’t geen tijd voor rouw en reis. Eerst moet de
Terug
Het was al avond, toen hij ’t huis genaakte, Een lauwe geur van vee dreef uit de stal, En heerste over ’t parfum van zijn verval; En was de essence van wat hij verzaakte, Dit: wat het leven klaar en
De thuisgeblevene
Goddank, dat ik de deur gesloten houd! Nu kan mijn broeder niet meer binnensluipen. Ik haat zijn stil aan vaders voeten kruipen, Want mij behoort de schat van liefde en goud. Hij dronk de vreugd; laat hem ’t verdriet nu
Sonnet: Zij ging zoo rustig door de jaargetijden
Zij ging zoo rustig door de jaargetijden Des levens, of het altijd winter was En avond, en zij bij het haardvuur las Van eigen leed, dat andren moesten lijden. Zij werkte zonder weerzin of verblijden: Boende het huis en zeemde
Samuël
Hij zag den priester niet; alleen de stralen Van goud en fonkelsteenen, die een stroom Van bonte kleuren stuwden naar zijn schroom. Hij liet zijn blikken naar beneden dwalen En frommelde aan het heet geworden toom Van ’t geitje, en
Tu es Deus absconditus
Avond in Rome Dien ik in alle dingen Als glans en schijn vermoed, Die tot mijn hart komt dringen In koude en in gloed, Laat mij U zóó gevoelen Als t driftige verzoelen En luwen van het bloed. Wanneer Gij
Sonnetten – I Italia
Sonnet I uit de Italiëcyclus (I t/m XII) Wat kent mijn hart van u dan enkle steden, Een landschap, een flard lucht, van hitte teêr, En overal: het aanschijn van den Heer, Zooals uw vroomste zonen Hem beleden! En langzaam
Sonnetten – II Lionardo
Sonnet II uit de Italiëcyclus (I t/m XII) Mijn ziel gruwt van het dubbelzinnig lachen, O Lionardo, dat gij zoo bemint: Een mengeling van zonneschijn en wind, Een faun die tussen englen staat te prachen. In geestesdiepten, krochten van gevoel,
Sonnetten – III San Marco
Hier wordt het bidden murmlen en verzuchten, In deze kerk vol geur en wazig licht. Ze is als een koortsdroom en een minnedicht, Zoo liefelijk en zacht en zoo te duchten. Gelijk der zijde glanze’ in kreuk en vouwen Tezamen