Terug

Het was al avond, toen hij ’t huis genaakte, Een lauwe geur van vee dreef uit de stal, En heerste over ’t parfum van zijn verval; En was de essence van wat hij verzaakte, Dit: wat het leven klaar en

Samuël

Hij zag den priester niet; alleen de stralen Van goud en fonkelsteenen, die een stroom Van bonte kleuren stuwden naar zijn schroom. Hij liet zijn blikken naar beneden dwalen En frommelde aan het heet geworden toom Van ’t geitje, en