Men heeft mij iets heel liefs gegeven: Een rozentuil van regen zwaar. Wat heb ik tegen hen misdreven? Zoo lag doods dauw over uw haar. Schaduwen dreven in uw oogen. Zij vlamden één hel oogenblik, En hebben zich niet meer
Categorie: De Lichtstreep
God heeft u van mij afgeëischt
God heeft u van mij afgeëist, En nu de tedere avond grijst, Buig ik, niet meer vermetel, Bij uwe lege zetel. Hoe zal ik zeggen, ziek van leed: ‘Hij doe, al schijnt het nog zo wreed, Wat goed is in
Maar dit is troost, wat is geweest
Maar dit is troost, wat is geweest, Kan niet vervluchtigen of sterven. Hoe ver wij aan elkaar ontzwerven, Elke afstand overzweeft de geest. Opeens verzwinden ruimte en tijd, Er is geen toekomst en verleden. Wij leven in een eeuwig heden,
Het is aldoor dezelfde plof
Het is aldoor dezelfde plof. Het dak is stuk, de droppen leken En overstorten zich te breken, En kloppen en versmoren dof. De modder ploempte van de plank En dekt uw schoonheid onverdorven. ’t Geluid is met mij meegezworven En
De Lichtstreep – I De rouwtoorts
delen I, II en III I – De rouwtoorts II – De gedroomde zoon III – De zachte fluit
Nu moet ik weenen in duisternissen
Nu moet ik weenen in duisternissen. ’t Is nacht geworden en het blijft nacht. Missen schakelt aan lànger missen. Wacht is door wachten geschalmd aan wacht. Zij troosten: na deze troostelooze Tijden zullen geen tranen meer zijn. O, onder bloeiende
Gebroken, gebroken is uw schoone
Gebroken, gebroken is uw schoone Lichaam, en weenend neergeleid. O dood, wat is er veel geschreid Om deze prille anemone. Uw blond hoofd met de bleeke konen Op bleeker kussen ligt ’t gevlijd. Tengere handen, voor altijd Moet gij de
O dit herdenken, dit rampzalig zijn !
O dit herdenken, dit rampzalig zijn! Ik ben zoo moede van de geur der rozen. En langs de muren geuren abrikozen, Als wangen blozend in de zonneschijn. Ik ben zoo moede; door de stille woon Komt met den wind een
Het is de bloeimaand, ’t geurende getij
Het is de bloeimaand, ’t geurende getij. De weiden pronken; in de hemellanen Krioelt ’t van feestelijke karavanen: Wolken en sterren ijlen ons voorbij. ’t Haast alles in een blinde razernij Te minnen, voor de bonte smuk gaat tanen. Elk
Stille genegenheden tusschen ons
Stille genegenheden tusschen ons, Ze zijn in weinig woorden uitgeschreven. Uw tengre polsen hebben hun gebons Voor eeuwig in mijn handen ingedreven. Kan men het schrijnen van de pijn vergeten, Zoolang de nagel in de wonde blijft? Waar is een