De laatste levensglans lag over hem In afscheidnemen en ontzeggen moeten Van kleine vreugden, die het leven zoeten, En iets gebrokens in gebaar en stem. Hij liep behoedzaam, en de wandelstok Werd losgehouden, of hij nog niet steunde, Maar als
Categorie: De Stille Tuin
Afnemende pijn
De regen is geweken, De hemel wordt weer wit. Onze oogen, moegekeken, Nemen opnieuw bezit Van Uw verklaarde wonder, Dit teeken zonder smet: Wij leven zalig onder Door U vervulde wet. Wij weten, dat ons lijden En deez’ onduldbre pijn
Avond
Waar vindt het hart zijn baat ? Waar is het eindlijk vrede? Hoor, langs de avondstraat Gehuurde venters roepen recht en rede, En, als een schaap dat naar zijn stal zoekt, blaat Nu hier, dan ginds, een liedjeszanger mede. Hoe
De avondster
… tot de Morgenster opga over uwe harten. O gij, die, als ‘k mijn oogen Inslapend, sluiten moet, Mij van nabijen hooge Troost met uw gouden groet. Wanneer de hemel ’t teêrste, Diep lentegroen, verkwijnt, Zijt gij de stralende eerste,
In memoriam
‘k Heb u niet weergezien, men was u wezen kisten, Voordat ik komen kon; toen zeide men: zie niet! (U, door geen dood ontsteld;) omdat zij zeker gisten: Aan uw beloken licht ontvlamt het stil verdriet. ‘k Heb u niet
Een dorpsjongen
’t Land is een uitzicht van den toren groot Als ’t feestdag is; gewoonlijk, in de week, Zoo ver als vader door het venster keek; Daarbinnen ligt de wereld en haar nood De sloome zorg voor zéker daaglijksch brood; De
Stillen in den lande
Zij weerden van hun oogen den avondglans der stad, Licht, duizlig aangevlogen, dat zich gespiegeld had In mist en ademtogen, een parelmoeren schat. De weelde van het leven, beschaafd en ruw genucht, Bleef in de straten zweven, als wolken van
De rijke jongeling
Toen ik den Meester had gevonden, En, teeken mijner heerlijkheid, Voor Hem ontrolde het tapijt, Waarop wij samen rusten konden, Beminde Hij ’t gebaar, en sprak, (Hoe scheen mij ’t kostlijk kleed geschonden; Hoe snel had ik het opgewonden,) Dat
De zoekenden
Wie spreekt den avondzegen? Emmaüs is nog ver. En de Heer kwam ons niet tegen. Boven Bethlehem staat geen ster. Wij weten niet of Hij geboren Is gisteren of gedood. Wij dwalen dieper verloren In den doolhof van nood. Wij
Hemelsch avontuur
Het donkre huis ontweken In ’t middernachtlijk uur, Heeft geen ons nagekeken Op ons hemelsch avontuur? Wij deden de ruit niet rinklen, Klimmend door ’t open raam. Zacht gezoold op de sintlen Stonden wij daar saâm. Wat wij in haast