Gij en ik

Ik weet de wereld niet, gij zijt alleen. En wat er in de ruimte moog gebeuren, ’t Is slechts een gobelin van stille kleuren, Dat wiss’lend schuift achter uw leven heen. Dagen en nachten, lachen en geween, Het voorjaar met

Berouw

U heb ik ’t eerst en meest bemind, Al dacht ik dikwijls U te haten. Gij troost mij, nu ik ben verlaten, Voor al mijn dwaze driften blind. Ik heb in wrevel U geweerd. Gij komt in weedom mij omvangen.

Herfst

Er is een geur in de wereld gekomen, Die er vroeger niet was. Zieker dan ’t rieken van welke boomen En rottend gras. Alles is van een vreemd bederf Licht aangestoken. In liefste dingen is het versterf Sterkst uitgebroken. Overal

Madonna

Liefde is haar nog niet genaderd. Nog vloeit er geen warm verlangen Door den stroom van haar gebed, En haar sâamgevouwen handen Duiden willige overgave, Maar geen vragen: kom tot mij. Doch Gods liefde is rondom haar. In de ijle