Wijl hij niet achtloos is voorbijgegaan Aan ’t kwaad, als waardlooze onverschilligheden, Maar dapper heeft geleden en gestreden En als een held in ’t harnas heeft gestaan, Bleef hij nog onbedorven van gemoed, Heerscht over de bekoring zijner driften; Durft
Categorie: Het Heilig Licht
De veertienjarige
Dit is een jaar van groot geluk geweest. Zijn oogen, die de wereld zacht bestaarden, Leerden het schoone flikkeren van zwaarden, Wier snelle scherpte men, ook tartend, vreest. Gelouterd werd het aarzelend geluid Dat in zijn stem zoo zoet en
De dertienjarige
Rustig ziet hij ’t groote leven komen, Want zijn jong en argeloos gemoed Voelt de gisting nog niet van het bloed, Als het voorjaar opstuwt in de boomen. Hij geniet de wereld zonder schromen. Elke dag geeft vreugde in overvloed.
Gij en ik
Ik weet de wereld niet, gij zijt alleen. En wat er in de ruimte moog gebeuren, ’t Is slechts een gobelin van stille kleuren, Dat wiss’lend schuift achter uw leven heen. Dagen en nachten, lachen en geween, Het voorjaar met
Het oerwoud
Het doet al vreezen: uit de groene wanden Loert stil het fel gevonk van brandende oogen. De lucht trilt van één zwaren gons doorvlogen, En bloemen staan als giftig vuur te branden. Wordt ’t leven langzaam uit ons weggezogen? De
In de oude stad
Uw gouden oogen in de grijze stad Gaven een glans aan overoude dingen. Zij kwamen ons zoo klaar en gaaf omringen Als kindren na het koele morgenbad. Hoofden wendden zich naar u om, een vlam Sloeg plotsling op in duistere
Berouw
U heb ik ’t eerst en meest bemind, Al dacht ik dikwijls U te haten. Gij troost mij, nu ik ben verlaten, Voor al mijn dwaze driften blind. Ik heb in wrevel U geweerd. Gij komt in weedom mij omvangen.
In het voorjaar I, II
I Nu worden alle harten weder jong En wrang, als ’t late geuren der seringen. Er ligt melancholie in alle dingen, In alles wat men vroolijk floot of zong. De jongens praten ruwer nu zij ’t bloed Driftig door sterke
Herfst
Er is een geur in de wereld gekomen, Die er vroeger niet was. Zieker dan ’t rieken van welke boomen En rottend gras. Alles is van een vreemd bederf Licht aangestoken. In liefste dingen is het versterf Sterkst uitgebroken. Overal
Madonna
Liefde is haar nog niet genaderd. Nog vloeit er geen warm verlangen Door den stroom van haar gebed, En haar sâamgevouwen handen Duiden willige overgave, Maar geen vragen: kom tot mij. Doch Gods liefde is rondom haar. In de ijle