De godsman

Niet, dat hij hen genas, maar Ieerde dulden Het euvel waarmee God hun vIeesch bezocht, Dat zijn gebed hun opstand overmocht. En ’s Heeren vreê hun bange ziel vervulde; Dat zij na sIapeIoozen nacht, den dag Doorstroomd van zaligheid en

Olympisch

Komt hij nabij uit ’t heidensch verIeclen, VoIkslievellng en keizerskampioen, Getooid en geteekend met het blazoen Der jonge Iachende doodsgereeden? Deze fiere Fries met het goudgeel haar, Felle sperwerkop met smalle wangen, Armen als buigzame stalen stangen Heeft dood tot

De uitvreter

Werther is weder uit den dood verrezen. Zijn onrustoogen staan meIanchollek. Een collectant voor weduwen en weezen Benijdt zijn stem en oogen vol tragiek. Wee het gezin, waarin hij zal genezen Van levensmoeheid, onbegrepen zijn. NeedrigbrutaaI, weet hij zich te

Volksprecliker

Men Iegde over twee kalkvaten een plank En heesch den Iuiden boetgezant daarop. In zijn vierkanten wortelhouten kop Waren zijn oogen stralend blauw maar krank. Hij overzag streng de toevallige schaar: Straatjongens, werkeloozen, en wat vrouwen Met kinderen, die op

Gezonken

Men vindt het logboek en men volgt het spoor.Maar waardeloos werd wat is opgeteekend,Want hoe men lengte en breedte overrekent,Het klopt nauwkeurig, maar ’t schip ging teloor. Men leest: hier hielden wij een lange rust.En ’t werd zoo; in een

De spin

O kunstenaar, die onbekommerd Uw wezen aan de wereld toont, Waar zonneluwte heerscht of ’t lommert, In zelfgeschapen woning woont; Ze is Iuchtig, los, de winden waalen Er scheerlings langs en dwars door heen. Gij Iaat haar liederlijk doorlaalen Van