Zijn woord getuigt van anderer bekeering. Hij rookt geen sigaret, maar drinkt wel wijn. Zijn onsoliede ziel is een legeering Van waarheid, weelde, strenge ascese en schijn. Hij vindt in ieder godsdlenst iets ter Ieering Maar wil ’t liefst in
Categorie: Kaleidoscoop
De godsman
Niet, dat hij hen genas, maar Ieerde dulden Het euvel waarmee God hun vIeesch bezocht, Dat zijn gebed hun opstand overmocht. En ’s Heeren vreê hun bange ziel vervulde; Dat zij na sIapeIoozen nacht, den dag Doorstroomd van zaligheid en
De honderdjarige
Haar tijd is dood; en zij werd dor en vaal, Een grove rariteit, ten halve heilig En heelemaal een lastpost, nergens veilig En overal; een oppas in de zaal Van ’t besjeshuis; en in de drukke straat Tusschen twee krukken
Olympisch
Komt hij nabij uit ’t heidensch verIeclen, VoIkslievellng en keizerskampioen, Getooid en geteekend met het blazoen Der jonge Iachende doodsgereeden? Deze fiere Fries met het goudgeel haar, Felle sperwerkop met smalle wangen, Armen als buigzame stalen stangen Heeft dood tot
De uitvreter
Werther is weder uit den dood verrezen. Zijn onrustoogen staan meIanchollek. Een collectant voor weduwen en weezen Benijdt zijn stem en oogen vol tragiek. Wee het gezin, waarin hij zal genezen Van levensmoeheid, onbegrepen zijn. NeedrigbrutaaI, weet hij zich te
Volksprecliker
Men Iegde over twee kalkvaten een plank En heesch den Iuiden boetgezant daarop. In zijn vierkanten wortelhouten kop Waren zijn oogen stralend blauw maar krank. Hij overzag streng de toevallige schaar: Straatjongens, werkeloozen, en wat vrouwen Met kinderen, die op
De gezondbidder
Hij ziet hen aan als een verloopen hond, Die nauwelijks gered is van verdrinken, En zijn gebed is haveloos, er zinken Steeds meer en dieper stilten in; de mond Klapt dicht, zooals een Ia wordt toegesloten, Nadat aI ’t kleingeld
Gezonken
Men vindt het logboek en men volgt het spoor.Maar waardeloos werd wat is opgeteekend,Want hoe men lengte en breedte overrekent,Het klopt nauwkeurig, maar ’t schip ging teloor. Men leest: hier hielden wij een lange rust.En ’t werd zoo; in een
De spin
O kunstenaar, die onbekommerd Uw wezen aan de wereld toont, Waar zonneluwte heerscht of ’t lommert, In zelfgeschapen woning woont; Ze is Iuchtig, los, de winden waalen Er scheerlings langs en dwars door heen. Gij Iaat haar liederlijk doorlaalen Van
De geranium
Hier is zij opgegroeid en groot Geworden, voor het smalle raam. Zij heeft geen afkomst en geen naam. Zij is alleen maar schoon en rood. Fier laat zij in haar forschen schoot De tintelende bleoemen staan, En heft onttakeld en