De visscher

O wemelende moederschoot, Vruchtwater, waarin God besloot In den beginne al wat sliep En wakker werd toen Hij het riep; O zware zwalpende oceaan, Omwentlend worden en vergaan, Muil waar de wereld aan ontglipt En telkens weer in binnen slipt.

Hadewych

Wie kan dit hongeren verdragen En blijven blijde en welgemoed? O Minne, uw goddelijke vlagen Zijn zaliger hoe meer gij woedt. Gaarne betaal ik alle dagen Met smart en smaad uw kostlijk zoet. Zij mogen ’t schelden ‘Huis der vreugden’