O peer, o gulden flessche Vol sap, versneeuwde gloed, Doorhonigd moes van bessen, Schuim van jong druivenbloed. O koelgestelde spijze! Hoe noem ik wat ik proef, Uw smaak, uw geur? En wijze Nog nagenietend prijze? Eenzaam geluk, dat lijze Zwaar
Categorie: Kaleidoscoop
Roode cyclamen I
Wat zeggen afkomst ons en namen? Is een goed hart niet goed genoeg? De bloedsdwang bindt weldadig samen De velen, die één Ieven droeg. De kleinen streven naast de grooten. EIk heeft zijn deel aan llcht en Iucht. Zij hulden
Roode cyclamen II
Uw donkerroode vanen Vervoeren ons als wijn. O Heer van bloed en tranen, Onze moed is klein. Uw pureren oriflammen Tegen duivel en dood Zijn tusschen ons als stammen Van vuur, zoo fel en groot. Wij staan nog blind te
De visscher
O wemelende moederschoot, Vruchtwater, waarin God besloot In den beginne al wat sliep En wakker werd toen Hij het riep; O zware zwalpende oceaan, Omwentlend worden en vergaan, Muil waar de wereld aan ontglipt En telkens weer in binnen slipt.
De vermoeide tot zijn bibliotheek
Havens van schoonheid, woonplaatsen der wijzen, Eenzame baaien, steden dichtbevolkt, Zonnewoestijnen, poolland zwaar onbewolkt, Hoogvlakte en diepzee, doel van jeugd en grijzen, Heelal door mensenhand moeizaam gemaakt, Chaos, geordend en tezaam gebonden, Naar wetten, overtreden en geschonden, Geheel en deel
Rabbijnen
Zij staan te zingen, en wiegen de Wet als een kind in hun armen, en de woestijn Strekt zich rondom en ’t doodsch verlaten zijn Van de heilige Sinaï; ontzet Hen niet het opgeslorpt zijn door de wolk Die de
Egypte I, II
I Ik stel mij voor, dat ik een jodenjongen Was in Egypte, en de goden zag, En koningen met den verboden lach, En danseressen die vervoerend zongen En wiegelden bij ’t hooge dunne koeren Der fluit: een Iang getrokken zilverdraad;
Simon Stylitus I, II
I Hij trok zoo strak den gordel om zijn lendnen, Dat deze Iangzaam ’t voddig kleed doorsneed, De huid aanvrat en als een vuur zoo wreed Brandde in het zieke vIeesch, en ongekende Verzoekingen en wellust in hem wrocht. Toen
Hadewych
Wie kan dit hongeren verdragen En blijven blijde en welgemoed? O Minne, uw goddelijke vlagen Zijn zaliger hoe meer gij woedt. Gaarne betaal ik alle dagen Met smart en smaad uw kostlijk zoet. Zij mogen ’t schelden ‘Huis der vreugden’
De geboorteheilige
Eerst toen hij dood was, en men hem vergat, Begon het wonder; kindren hoorden fluistren Boven zijn graf als het begon te duistren. En ’s morgens was het gras zoo groen en glad En bIoemdoorspikkeId of een lentedauw Met zon