Goethe

Hij is zichzelf een god geweest, Want wat hij van den Eeuwge heeft bekend, Was op het verre firmament Slechts een projectie van zijn eigen geest. Hij dacht: hij was een samenspel Van vreemde krachten en hun tegenstand. Hij was

Het dogma

Het dogma is geen doode leer, maar levende lofzegging. Ons hart bespeurt U in den wind En ’t lauwe bloed begint te branden Wij schutten met beschaamde handen Ons aangezicht, wijl Gij ons mint. Uw hand beroert ons; wij vergeten