Hun oogen lachten naar de blauwe zeker, Waar wankelig hun linksche wezens stonden, Toen, voor den kansel, luid hun stem verkondde: Vast staat Gods eeuweige verlossingswerk. Hun jongens trillen op dezelfde plek, wat schonkig naast de stijve blonde meidjes. En
Categorie: Nalezing VII
Goethe
Hij is zichzelf een god geweest, Want wat hij van den Eeuwge heeft bekend, Was op het verre firmament Slechts een projectie van zijn eigen geest. Hij dacht: hij was een samenspel Van vreemde krachten en hun tegenstand. Hij was
De verzenzegster
Voor Maria van Royen Zij zeide langzaam verzen, en het was Een zoet geruchten als van zomerregen In windeloosheid, en het zeer genegen Aarzlend verwelkomen van wachtend gras. Koelte doorstreek haar stem, alsof een glas- Kralen gordijn klaar ritselde in
De glasblazer
Ik schep den Schepper na; door vuur En wind vorm ik een leven puur. De slechte stof wordt door mijn macht Herboren tot een loutre pracht, Door t vuur tot in de kern doorgloeid Geeft het zich over en het
Het dogma
Het dogma is geen doode leer, maar levende lofzegging. Ons hart bespeurt U in den wind En ’t lauwe bloed begint te branden Wij schutten met beschaamde handen Ons aangezicht, wijl Gij ons mint. Uw hand beroert ons; wij vergeten
Genezing
Het leven is nog zoo ver: Iets dat men droomde of las in boeken. Dood? donker en lieflijker En niet te roepen of te zoeken. Zijn adem hijgt naast het ledikant. Hij wacht tot ik langzaam en zwaar mijn hand