Zoo diep gebogen, terneêrgeslagen, Zoo bevende en traag weer opgericht, Zoo wankelend onder ’t zware dragen Van kroon en kragen staat ’t riet in ’t licht. Ruischende buigen de legerscharen, Ritselend staan ze weder gerecht, Bukkende prevelend de oude mare
Tag: gedicht aanwezig
De appelboom
Na warme dagen volgen koude nachten. Als lakens ligt de dauw op bleek en haag Versteven naar wat zonneschijn te wachten En slaat in wolken op en regent traag. De struiken tinkelen met haarfijn ijzel. En in de hof, de
Gele brem bij een zandstuiving
O zon, die met uw stralen Streelt langs het tenger hout, En krachten wekt, en kwalen Vernielt en buiten houdt, Doe gij de sappen streven In den oergrond vastgestouwd, En laat mijn bezem beven Van levend groen en goud. In
Bloedtheologie
Ik ben met Christus gekruist. Paulus. Dit is elk jaar de droeve tocht Wij volgen U tot op den heuvel, Waar God U sloeg om aller euvel, En mensch noch engel helpen mocht. Tusschen die beiden in de lochs Hangt
De maaier
Alsof ’t een spelen was, zoo zwong hij met den zwaarde Door ’t zoevend gras, en ’t zonk; er zingt een helle klank. De zoete klingelbel van dood zingt over de aarde, Want door het zwadend gras houdt hij zijn
Gebedje
Die den regen neêr doet stroomen En een flits van zonneschijn Door de dwarse vlaag laat komen, En een zoetheid in de pijn, Die het merg sterkt in de boomen En de spanning in den wijn, Laat uw Geest heer
Voorbidding
Een zieke zeide: Zijn woorden poogden mij te troosten, Maar schoon mijn zon in ’t westen zit, Mijn oogen richten zich naar ’t oosten, Toen sprak hij met gezag: ik bid ! O wonderwoorden, voorgebeden, O hartekreten tot den Heer.
In memoriam
‘k Heb u niet weergezien, men was u wezen kisten, Voordat ik komen kon; toen zeide men: zie niet! (U, door geen dood ontsteld;) omdat zij zeker gisten: Aan uw beloken licht ontvlamt het stil verdriet. ‘k Heb u niet
Het testament
Wanneer ik ben begraven, zullen zij dit vinden, Mijn kinderen, mijn zonen, mijn beminden. God loone ’t u, mijn jongens; uw mond en oogen hel, Uw bidden en uw lachen waren mij zoo wel. Ik heb slechts een zegen voor
Gedachtenis
Er is niet veel te weten Hij werd geboren, leed, en stierf. Zijn zonden zijn vergeten, Omdat hij Gods gena verwierf. Mogen zijn goede daden Gedacht zijn als een tarweaar. Gods zegen, vroeg en spade, Maakte hen voedselvol en zwaar.