Het riet

Zoo diep gebogen, terneêrgeslagen, Zoo bevende en traag weer opgericht, Zoo wankelend onder ’t zware dragen Van kroon en kragen staat ’t riet in ’t licht. Ruischende buigen de legerscharen, Ritselend staan ze weder gerecht, Bukkende prevelend de oude mare

Gebedje

Die den regen neêr doet stroomen En een flits van zonneschijn Door de dwarse vlaag laat komen, En een zoetheid in de pijn, Die het merg sterkt in de boomen En de spanning in den wijn, Laat uw Geest heer