Voorjaar

De vreemde stille zonnedagen Bezinken in het roerloos hout, Dat zwaar zijn zaligheid te dragen Begint en aan het licht vertrouwt. De dunne bast, in lenig rekken, Wordt ledergeel en bronzig rood. En glanzend gaat het rijs zich strekken En

De ploeger

De spieren en de strengen strak gespannen, Den kop snuivend omlaag, de pooten stijf, Geliefkoosd door den montren roep der mannen, De staarten zwaaiend om het zwoegend lijf, Rammen de paarden met het knauwend kouter, O duldende aarde, uw donker

De tuinman

De rozen, hulplooze en vermeetlen, Heeft hij vertroeteld en ontzien De koninklijke op eerezeetlen, Die overweldigen en gebi?n, De schaduwpaarsen, de zwartrooden, Alsof de dood hier staat en bloeit, De raadselachtigen en blonden, Die men bewondert, maar niet moeit. De